is toegevoegd aan je favorieten.

De Algemeene Wet over de heffing der rechten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnzen, alsmede van het tonnegeld der zeeschepen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

594

HOOFDSTUK XXI—XXIII. — Artt. 253—267.

Daarentegen is VAN NIEUWKUYK van meening, dat de plaats van het artikel in de Alg. wet, als zich aansluitende aan twee artikelen, die bekeuringen tegen onbekenden betreffen, doet veronderstellen, dat ook hier alleen sprake is van aanhalingen op onbekende personen. Zie Het fiscale strafrecht en de fiscale strafactie, § 112. ... „_„

Bij res. van 13 Juli 1871, no. 56 is echter te kennen gegeven, dat art. 253 geen onderscheid maakt tusschen bekenden en onbekenden.

HOOFDSTUK XXII.

Van de benaderingen.

Artt. 254—266 (1).

1. Hoofdstuk XXII werd vervallen verklaard bij art. 32 der wet V. 1895, no. 49.

HOOFDSTUK XXIII.

Van de borgtochten, kredieten en betalingen (1).

1. De in zake invoerrechten en accijnzen geldende algemeene bepalingen betreffende borgtochten, kredieten, betalingen, parate executie en privilege zijn ook van toepassing op de speelkaartenbelasting. Art. 20 der Speelkaartenwet, V. v. V. no. 1138.

Art. 267. Alle borgtochten (1), welke bij de wetten van de invoerders of andere belastingschuldigen worden gevorderd (2—4), zullen worden gesteld ten genoegen van den Ontvanger, welke voor het bedrag van den borgtocht verantwoordelijk blijft (5—9).

1. De post is ontheven van wettelijke verplichtingen om in verband met den in-, uit- en doorvoer van pakketten zekerheid te stellen.

De ontheffing doet niet te kort aan de verplichting tot betaling van de anders op de gevorderde zekerheid te verhalen bedragen. Kon. besluit van 7 Mei 1924, S. no. 232, V. v. V. no. 2332, art. 13.

Zie hierbij § 21 der res. V. v. V. no. 2333 in bijlage P II.

2. De Minister van Financiën is bevoegd de Maatschappij tot Exploitatie van Staatsspoorwegen en de HoUandsche IJzeren Spoorwegmaatschappij te ontheffen van wettelijke verplichtingen om op eenig kantoor der invoerrechten of accijnzen zekerheid te stellen.

De ontheffing doet niet te kort aan de verplichting tot betaling van de anders op de gevorderde zekerheid te verhalen bedragen. Art. 1 der wet van 29 Dec. 1922, S. no. 755, V. v. V. no. 1982.

Bovengenoemde maatschappijen zijn ontheven van de verplichtingen, die voor haar uit de wetgeving voortvloeien om op eenig kantoor der invoerrechten of accijnzen zekerheid te steUen.

De beide genoemde maatschappijen behoeven dus voortaan op de kantoren der invoerrechten of accijnzen geenerlei zekerheid, uit welken hoofde ook, te steUen, met name dus bijv. niet voor het gemeten van weekkrediet. . ... ■ 1 , .

De ontheffing van de verplichting tot zekerheidsstelling brengt overigens geen verandering in de verhouding tusschen de Administratie