is toegevoegd aan je favorieten.

De Algemeene Wet over de heffing der rechten van in-, uit- en doorvoer en van de accijnzen, alsmede van het tonnegeld der zeeschepen

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

650 HOOFDSTUK XXVI. — Artt. 311—312.

en uitgaande rechten en accijnzen (2), of het Ministerie, door hetwelk dat vak wordt beheerd, en de ambtenaren, de kantoren en wachten voor de in- en uitgaande rechten en accijnzen (2).

Onder rivieren worden in deze wet alle andere bevaarbare wateren dan de zee verstaan (3). . ,

Waar niet het tegendeel blijkt, worden voor de toepassing yan deze wet en van de bijzondere wetten onder rechten en accijnzen ook daarop geheven opcenten begrepen (3—5).

É Kommiezen moeten ter aanduiding hunner qualiteit in ambtelijke stukken niet van het woord „ambtenaar" gebruik maken, maar de hoedanigheid, waarin zij handelen, door vermelding yan hun rang en klasse steeds met juistheid aangeven. Res. 4 Jum 191ó,no.ói.

Dit voorschrift ziet echter niet op het geval van afteekening van documenten of verklaringen, waarin het woord ambtenaar gedrukt staat. Evenmin bestaat er bezwaar dit woord te bezigen, indien ambtenaren van verschillenden rang een gemeenschappelijke verklaring op eenig document moeten steUen, ook al geeft het gebruikte model dat woord niet aan. Res. 24 Juni 1913, no. 54.

2 Ter vervanging van de woorden: „in- en uitgaande rechten", voorkomende in de benaming van de Administratie en van de kantoren en in de titulatuur der ambtenaren van 's Rnks belastingen wordt voortaan het woord „invoerrechten" gebruikt. Kon. besluit van 2b December 1877, no. 12, V. no. 111; zie de res. V. v. V. no. 1, sub 1.

3. Het tweede en het derde lid van art. 311 tfn o^omen zooals ze luiden volgens art. 1, lett. F, der wet van 5 Juli 1920, S. no. 344, V. v. V. no. 1375.

4. Ook bij de bepaling van de op een veelvoud der ontdoken belasting gestelde boeten, alsmede voor de toepassing van wettelnke bepalingen als die nopens den voorrang en de parate executie (art. 290). Zie de Mem. v. T.

5. Nopens heffing van opcenten op de accijnzen wordt verwezen naar aant. 2 op art. 278.

Art 312. Tot voorkoming van sluikerijen, zal niemand vermogen dezerzijds eenige schuit of boot te hebben of te houden (1), op| eemge rivier van het Koninkrijk, welke deszelfs grondgebied onmiddellijk van dat van eenige andere mogendheid afscheidt, noch op eenige naar buiten loopende rivieren (2) binnen den afstand van het vreemd territoir aan de landzijde, in artikel 177 bepaald (3-4), zonder eene schriftelijke autorisatie daartoe van den Directeur in de directie, waaronder de bezitter of gebruiker behoort, verzocht en van denzelven verkregen te hebben (5), op verbeurte van het vaartuig (6) en eene boete van honderd

gaVaT deze bepaling worden uitgezonderd alle zoodanige transportmiddelen, als noodig erkend zijn voor den publieken dienst, en die yan een behoorlijk herkenningsteeken als zoodanig moeten zijn voorzien (8).

650