is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

29

kenning van recht aan twee of meer personen gezamenlijk, hetzij onder de levenden, hetzij na doode, heeft, indien de beschikking ten aanzien van één van hen geene uitwerking heeft of één van hen het voor hem uit de beschikking voortgevloeide recht later weer verliest, aanwas plaats ten behoeve der overigen". Een hypotheek dus, bij ééne overeenkomst verleend aan twee schuldeischers gezamenlijk, blijft bij het wegvallen van één der schuldeischers in haar geheel bestaan ten behoeve van den overblijvende, die daaruit ten volle verhaalt zijne vordering, ook al overschrijdt deze het bedrag, dat voor haar beschikbaar zou zijn, indien de eerstgenoemde schuldeischer niet was uitgetreden, mits hij natuurlijk blijve binnen de grenzen van het totale bedrag der hypotheek. 1

Een andere vraag, welke zich in de praktijk opdoet, is of wanneer er meerdere hypothecaire schuldeischers zijn bij ééne akte, deze uitsluitend gezamenlijk zullen kunnen optreden b.v. tot het gebruik maken der onherroepelijke volmacht? Deze vraag zal m. i. ontkennend moeten worden beantwoord, in welken zin ook de Rechtbank te Groningen' vonnis wees, bepalende dat „een van de meerdere deelhebbers in een schuldvordering, door hypotheek met beding van onherroepelijke volmacht verzekerd, heeft zonder medewerking der anderen, het recht om, bij wanbetaling, het goed te verkoopen".

Voor hypotheek zijn ingevolge art. 1210 B.W. alleen vatbaar „onroerende

Artt.1210 en!213B.W.

goederen welke in den handel zijn, met derzelver toebehooren, voor zooverre dat laatste als onroerend goed beschouwd wordt".

Art. 1213 B.W. bepaalt ten allen overvloede dat roerende goederen niet voor hypotheek vatbaar zijn. De opneming dezer bepaling is natuurlijk volstrekt overbodig; dit artikel is een vertaling van het gelijkluidende art. 2119 C.C., doch dit art. had in het Fransche recht wèl zin, daar het bepaalde dat ook legale hypotheek niet gold voor roerend goed, daar „meubles n'ont pas de suite". De reden van opneming van art. 1213 zal

1 In gelijken zin Rechtbank Groningen 21 Juni 1874, W. 4295.

2 21 Juni 1874, W. 4295.