is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

117

geen uitzondering diende te maken ten behoeve van getrouwde vrouwen" voegde de Regeering in 1825 bij de nieuwe redactie een tweede alinea toe, luidende: „Deze bepalingen beletten echter niet, dat degene, die verbonden is om hypotheek te geven kan worden genoodzaakt om aan zijne verpligting te voldoen, door aanwijzing van goederen, welke hij, zelfs na het ontstaan der verbintenis mogt hebben verkregen". De Regeering merkte hieromtrent in haar antwoord op: „dat men in het nieuwe opstel van dit artikel aan de wensch der afdeelingen voldaan had, door uitdrukkelijk te bepalen, dat de verordeningen van dit artikel niet beletten, dat iemand kan gebonden zijn hypotheek te geven op goederen, die hij, zelfs na het ontstaan der verbindtenis verkrijgt". Later, in het ontwerp van 13 Maart en 24 October 1833, werd het tweede lid van art. 1220 in hoofdzaak geredigeerd, gelijk het thans luidt. De memorie van toelichting geeft daaromtrent aan: „Behalve het verbeterd opstel van het tweede lid van dit artikel, heeft men het doelmatig geacht, om bij deze gelegenheid, bij wijze van voorbeeld, aan te duiden, dat de vrouw, die bij huwelijksche voorwaarden hypotheek heeft bedongen, in die bepaling is begrepen". Uit het bovenstaande blijkt, welke bedoeling eigenlijk bij de opneming dezer bepaling voorzat, hetgeen in overeenstemming is met hetgeen Diephuis1 hieromtrent opmerkt: „zij stelt intusschen boven allen twijfel, dat een schuldenaar, die hypotheek heeft toegezegd zonder daarvoor vatbare goederen te bezitten, later niet kan beweren daardoor tot niets gebonden te zijn, maar, wanneer hij later zulke goederen krijgt, daaraan wel degelijk gevolg moet geven of zien geven".

De bepaling van het derde lid van art. 1217 B.W. moet, als zijnde een uitzondering op een algemeen geldende regel, strikt worden toegepast en mag niet worden uitgebreid tot andere vonnissen. Zoo oordeelde de Rechtbank te Groningen bij vonnis van 3 April 18573 dat de exceptioneele bepaling van art. 1217 B.W., dat het rechterlijk vonnis zal gelden in plaats van een akte door partijen te doen opmaken,

1 VII, 395 nt. 1.

* R. B. 1857, 635-637. Zie ook Rechtb. Almelo 12 Mei 1858, R. B. 1859, 262-269.