is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

130

zijn afrekening op te nemen of uit de opbrengst van het verkochte goed te voldoen. Zoo oordeelde ook het Hof te 's Gravenhage bij arrest van 19 Februari 1900,1 dat kosten wet degelijk inschuld zijn ter verzekering van welker voldoening hypotheek kan worden verleend, mits van die kosten bij de akte een bepaalde som is vastgesteld of wel het bedrag daarvan overeenkomstig art. 1221 2e lid is begroot. In de akte zal dus een begrooting van kosten moeten worden opgenomen, tot hoogstens welk beloop deze onder de hypotheek zullen vallen.

De hypotheeknemer zal behalve voor het hoofdbedrag der schuld eveneens bevoorrecht zijn voor de loopende renten. Vanzelf dringt zich hierbij de vraag naar voren: hoe groot is de rente-termijn, welke onder de hypotheek valt, daar het vanzelf spreekt dat hiervoor een bepaalde termijn moet vaststaan. In de eerste plaats moet toch de hypotheekhouder weten hoe lang hij zonder ongerustheid uitstel van rente-betaling kan geven, terwijl in de tweede plaats een dergelijke terrrrijnbepaling onontbeerlijk is ter voorkoming van benadeeling der verdere crediteuren door onbeperkte verhooging der hypotheekschuld tengevolge van het jarenlang laten oploopen der onbetaalde renten, hetgeen tevens in strijd zou zijn met art. 1221, daar dan bezwaarlijk meer van een „bepaalde" soms zou kunnen worden gesproken.

Art. 1229 B.W. bepaalt, dat de rente van twee jaren en van het loopende jaar onder de hypotheek valt; bestaat er achterstand in de betaling der rente over langeren termijn dan twee jaren en het loopende jaar, dan is de hypothecaire schuldeischer gerechtigd om voor de meerdere rente opnieuw inschrijving te nemen. Natuurlijk kan hij alleen nieuwe inschrijving nemen op dezelfde goederen, bij de oorspronkelijke inschrijving reeds verbonden, doch dit kan hij dan ook doen zonder nieuwe akte of nieuw vonnis,' en bovendien zonder eenige nadere overeenkomst dienaangaande.3

1 W 7429. .

« De Fransche tekst van art. 1260 Wetb. v. 1830 spreekt, evenals art. 2151 C. N. van: les arrérages autres que ceux conserves par la première inscription. _

* „Sine sententia vel conventione speciale zegt Zacharia, U, lttf, u