is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

135

eenenmale missen, zoodat het voor de praktijk uiterst gelukkig te noemen is, dat de H. R. bij arrest van 22 December 18711 de geldigheid der crediethypotheek erkende en besliste, dat deze rang inneemt van den dag der inschrijving,2 welke opvatting sinds dien algemeen als de juiste wordt erkend.

In de akte, waarbij een crediethypotheek wordt gevestigd, moet echter uitdrukkelijk hiervan melding worden gemaakt, daar, wanneer zulks is nagelaten, de hypotheek niet tot zekerheid van een crediet kan strekken. In dezen zin besliste ook de Rechtbank te Nijmegen bij vonnis van 24 Maart 1857,* dat de hypotheek, bedongen voor ter leen gegeven gelden en als zoodanig ingeschreven, geen gevolg kan hebben, als het blijkt, dat zij verleend werd tot zekerheid van gedane en nog te doene leverantiën.

Is eenmaal een crediethypotheek verleend door meerdere debiteuren tezamen, dan maakt het geen verschil of allen dan wel een van het crediet gebruik maken en blijven de onroerende goederen voor elke gebruikmaking van het crediet verbonden. Zoo was ook het Hof te 's Hertogenbosch van oordeel, bij arrest van 7 Juli 1887:* „bij het verleenen van een crediethypotheek door de gezamenlijke erfgenamen van onroerende goederen, tot zekerheid van hetgeen zij wegens een aan hen geopend crediet aan den credietgever schuldig zouden worden, maar slechts door één hunner schuldig geworden is, zijn die onroerende goederen ten behoeve van den credietgever voor het geheel hypothecair verbonden en kan deze ingevolge de door hem bedongen onherhoepelijke machtiging tot den verkoop daarvan overgaan".

Het is een strijdvraag5 of crediethypotheek vatbaar is voor cessie. Scholten is van meening, dat hiertegen niets in den weg staat en wijst op de bepaling van art. 1457 B.W. Mr. Hoorweg is echter eene tegenovergestelde opvatting toegedaan en van meening, dat de bepaling van art. 1457 juist een

1 W. 3414, W. N. R. 111. In denzelfden zin H. R. 23 Dec. 1881, W. N. R. 707.

3 Zie ook hieronder bij de behandeling van art. 1226 B. W.

3 W. 1863.

4 W. 5571.

5 Zie W. P. N. R. 1921, blz. 49, 80, 156, 157, 323.