is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

194

theek aan een anderen schuldeischer wordt overgedragen, hiervan eveneens aanteekening in de registers zou moeten geschieden. En niet alleen voor cessie, ook voor verpanding van hypotheken zou men een voorschrift dienaangaande in de wet verwachten. Zulks is echter geenszins het geval. Hoewel op een andere plaats de wet wel voorschrijft aanteekening in de registers bij erfstelling over de hand van gehypothekeerde schuldvorderingen (art. 1033 B. W.) bestaat voor cessie en verpanding van hypotheken geen enkel voorschrift. Wel werd reeds bij de inrichting onzer hypothecaire boekhouding in § 2, 7° der circulaire van 7 Sept. 1838 n°. 614, de 6° kolom van het zoogenaamde Hulpregister n°. 3 onder meer, ook bestemd „voor de aanteekening van subrogatie", welke ten opzichte der ingeschreven hypotheken mocht voorkomen, doch hiermede werd blijkbaar uitsluitend gedoeld op de subrogatie krachtens de wet ten behoeve vaneen derden bezitter, die de schuld heeft gekweten (art. 1246 B. W.) en waaromtrent art. 1247 B. W. uitdrukkelijk bepaalt „dat de gesubrogeerde schuldeischer, tot verzekering van zijn recht, verplicht is, daarvan aanteekening te laten doen op de gewone registers."1 Toch werd vroeger herhaalde malen in de registers verpanding en cessie van hypotheken aangeteekend, tot een brief van het Bestuur der Registratie van 29 Maart 1887, n°. 68' hieraan een eind maakte: „Door een bewaarder werd, op verzoek van belanghebbenden, in het hulpregister n°. 3 aanteekening gehouden van inpandgevingen van hypothecaire schuldvorderingen. Den bewaarder is verzocht die aanteekening niet meer te doen, omdat behalve dat door die aanteekening geen rechten worden verkregen of verzekerd en de openbare registers daarvoor dan ook niet bestemd zijn — uit herhaalde en menigvuldige aanteekeningen van dien aard verwarring is te vreezen, terwijl het publiek er door op een dwaalspoor kan worden gebracht." Tegen dit schrijven kwam Prof. Moltzer op in een artikel in het W. N. R. 1057, waarin ontkennend werd beantwoord de vraag of het wenschelijk was, dat „de bemoeiingen van den bewaarder — teneinde verwarring te voorkomen

1 Zie W. N. R. 1057, blz. 151. • P. W. 1886, 7388.