is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

200

mij wil voorkomen, dat met Diephuis1 zal mogen worden aangenomen, dat ook de schuldenaar daarvan gebruik kan maken en b.v. geldig aanbod van betaling kan doen aan de woonplaats, door den schuldeischer bij de inschrijving gekozen.

Art. 1231 sub 2°—5° B. W.

Art. 1231 sub 2°. bepaalt dat de borderellen moeten bevatten de dag¬

teekening en den aard van den rechtstitel, met opgave van

den ambtenaar, door of ten overstaan van welken de akte is verleden, of van den rechter, die de te bezwaren goederen, naar aanleiding van het voorlaatste lid van art. 1217, heeft aangeduid.

Onder „den aard van den rechtstitel" zal hier, met Diephuis, * moeten worden verstaan de aanwijzing van „zijn hoedanigheid als vonnis of als notarieele of andere wettige akte.

Vertooning van de akte zelve is wel geoorloofd, doch niet voorgeschreven. Bij de behandeling van dit artikel in 1824 was van verschillende zijden (o.a. 4de afd.) de wensch geuit, dat voorgeschreven zou worden, dat de titel aan den bewaarder moest worden vertoond. De Regeering gaf hierop ten antwoord* „de bepaling van het Fransche recht (art. 2148 c.c.)is niet overgenomen, omdat de hypotheek-bewaarder geene bevoegdheid behoort te bezitten, om de waarde of onwaarde van een' Regtstitel te beoordeelen, even weinig als een deurwaarder, die periculo petentis een beslag legt, zonder zich over het regt van den arrestant te bekreunen. De inschrijving, door een onbevoegde gedaan, of zonder wettigen titel, kan den eigenaar van het perceel niet benadeelen, en deze kan de opheffing met schadevergoeding vorderen. De noodzakelijke vertooning van den titel zoude het onmiskenbaar nadeel opleveren, dat de hypotheek-bewaarder, die, hetzij om anderen te begunstigen, hetzij te goeder trouw, bedenkingen tegen de geldigheid der oorzaak van de schuld vermeende te kunnen maken, en alzoo de inschrijving uitstelde, aan later opkomenden een voorrang zoude verzekeren, waarop de eerstkomende

1 VII, 432.

2 VII, 434. In gelijken zin Opzoomer IV, 643 n. 3. * Voorduin IV, 578.