is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

237

krijgt, daar deze laatste het geld ontvangt en de staat of gemeente zich niets van den ex-hypotheekhouder pleegt aan te trekken. Het is den hypotheekhouder dan ook steeds aan te raden in het proces der onteigening te intervenieeren, ingevolge de bepalingen van art. 285 v. Rv.1 Hierdoor alleen bereikt hij de zekerheid de hem voor geheele of gedeeltelijke aflossing komende gelden te ontvangen en snijdt hij de kans af, dat de onteigende in gebreke blijft hem deze gelden uit te keeren. Teneinde voor den hypotheekhouder het gevaar weg te nemen, dat hij van de onteigening onkundig blijft, in welk geval de rechter met zijne belangen geen rekening kan houden, is bij Wet van 5 Juli 1920 (Stbl. n°. 329) in art. 18 lid 4 der Onteigeningswet bepaald, dat de dagvaarding zal worden beteekend aan de ingeschreven hypotheekhouders binnen acht dagen, nadat deze is uitgebracht. Al heeft de hypotheekhouder hierdoor den tijd tot interventie over te gaan, zoo ware toch beter, dat de wet dezen een voorrecht op de schadeloosstelling toekende.

In verband met het hierboven aangehaalde over de onteigening moge hier met een enkel woord besproken worden het den laatsten tijd den eigenaar en dies de hypotheekhouders dreigende gevaar, door de door enkele gemeenten uitgevaardigde monumenten-verordening. Door deze verordening worden op een lijst geplaatst die gebouwen, welke het niet geoorloofd is af te breken of te verbouwen, wegens de historische waarde welke het gebouw voor de gemeente vertegenwoordigt. Onnoodig aan te toonen, dat zulk eene aanwijzing een belangrijke waardedaling van het gebouw met zich moet brengen en groote schade voor den eigenaar en eventueel ook voor den hypotheekhouder, met zich moet brengen.

1 De hypotheekhouder kan zijne nota van aflossing verhoogen met de kosten der interventie, welke op zijn beurt door den onteigende ten laste der onteigenende partij kunnen worden gebracht. Vroeger droeg de onteigende partij de kosten der onteigening, tenzij de bij het vonnis bepaalde schadevergoeding evenveel of minder bedroeg dan het aanbod. Sedert de wijziging van 1920 is den rechter'eenige speelruimte gelaten om, ook wanneer het vonnis niet meer dan het aanbod bedraagt, de kosten geheel of gedeeltelijk te compenseeren (art. 50).