is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

251

gescheiden nog van de kwestie, dat b.v. door het geoorloofd weglaten van den termijn, de bepaling van art. 512 Rv. illusoir zoude worden gemaakt. Zoo besliste de Rechtbank te Rotterdam bij vonnis van 18 Sept. 18931 „dat de Rechtbank met eischer van oordeel is, dat een hypothecair schuldeischer, verkeerende in cas van art. 511 R. V., die gebruik wenscht te maken van het recht hem bij onherroepelijke volmacht overeenkomstig art. 1223 B. W. verleend, verplicht is daarvan aan den executant van het met eerste hypotheek bezwaarde onroerend goed binnen 14 dagen na de beteekening van het gelegd beslag onvoorwaardelijk opgave te doen van den termijn binnen welke hij het bezwaarde goed zal verkoopen, daar toch de bewoordingen der wet daaromtrent geen twijfel overlaten en dit ook uit den aard der zaak volgt, daar bij een tegenovergestelde uitlegging der wet, de executant van eenig onroerend goed door den hypothecairen schuldeischer in zijn recht van executie noodeloos zou kunnen worden belemmerd; dat dit zoo zijnde, de gedaagden dan ook geacht moeten worden, tengevolge van hunne voorwaardelijke opgave van den termijn tot verkoop van de hier bedoelde onroerende goederen, geen opgave van een termijn, binnen welke de verkoop der goederen zal plaats vinden, te hebben gedaan en eischer alzoo, nu gedaagden geacht moeten worden dien te hebben laten voorbijgaan, met de executie van bedoelde onroerende goederen had voort kunnen gaan zonder gedaagden bevorens in rechte op te roepen".

Door het voorrecht, hem bij art. 509 Rv. verleend, heeft de hypotheekhouder het in zijn hand door het stellen van een ruimen termijn een voor executie ongunstig tijdstip te ontloopen. Indien de executant echter van oordeel is, dat deze termijn te lang is gesteld kan deze den schuldeischer dagvaarden,2 ten einde door den rechter' een termijn te doen bepalen, binnen welke de hypotheekhouder verplicht zal zijn

1 W. 6427.

3 Dus niet bij request, hoewel dit voor een dergelijke eenvoudige procedure meer aangewezen zou schijnen. Zie Hof Amsterdam 3 Dec. 1902, W. 7923.

8 Aangenomen mag worden, dat hiermede wordt bedoeld de rechtbank van het arrondissement, waarin het te executeeren goed gelegen is (art. 495 Rv.).