is toegevoegd aan je favorieten.

Hypotheekrecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

309

Heeft de kooper, ingeval van faillissement, eveneens het recht rangregeling te doen openen, dus buiten faillissement om? Een vraag, welke reeds vele jaren de pennen van tal van juridische schrijvers in beweging heeft gebracht, deels bevestigend antwoord gevende, deels ook in sterk ontkennen^ den zin. Dat de kooper bij dit recht van zuivering te vragen, niettegenstaande faillissement, overwegend belang heeft, blijkt duidelijk, wanneer men bedenkt, dat de doorhaling ingevolge art. 188 F. W. eerst geschiedt na het verbindend worden der uitdeelingslijst, dus niet plaats vindt, ingeval een akkoord tot stand komt of het faillissement wordt opgeheven. Had dus in een dezer beide laatste gevallen de kooper niet binnen den hem bij art. 1256 B.W. toegekenden termijn, rangregeling geopend, dan zou doorhaling der inschrijvingen van hypotheken en beslagen niet meer kunnen worden gevorderd. Bovendien geschiedt de doorhaling der hypotheken door den rechtercommissaris in faillissement krachtens art. 188 F. W. eerst na het verbindend worden der uitdeelingslijst, hetgeen zeer lang op zich kan laten wachten, terwijl eene rangregeling buiten faillissement sneller kan worden afgewikkeld.

De H. R. heeft bij twee arresten deze vraag in bevestigenden zin beantwoord.1 Het hoogste rechtscollege was van oordeel, dat ingevolge art. 57 lid 1 F. W. de schuldeischer zijne rechten uitoefent „alsof er geen faillissement ware". Waar deze verkoop dus geheel buiten het faillissement omgaat, zal men den kooper niet mogen onthouden het recht op zuivering, dat hij aan den verkoop ontleent en dat hem door het B. W. toegekend, door de F. W. niet uitdrukkelijk wordt ontnomen. De H. R. was tevens van oordeel, dat indien de kooper dit recht niet zoude hebben, de verkooper geene koopers tegen een betamelijken prijs zou kunnen vinden.

Ingevolge deze opvatting zal dus de kooper den koopprijs, na voldoening van de vordering van den eersten hypotheekhouder, onder zich moeten houden tot het einde der gerechtelijke rang-

1 9 Mei 9101, W. 7584, WVP. N. R. 1639 en 27 Febr. 1902, W. 7715, W. P. N. R. 1681. In gelijken zin Rechtb. Amsterdam 28 Juli 1915, N. J. 1915, 1050. Zie omtrent dit laatste vonnis ook W. 9858, 9864, 9870, 9875 en 9897.