is toegevoegd aan je favorieten.

Het nieuwe zeerecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

297

zoodat de vervoerder nooit het slachtoffer van de onregelmatigheid, waaraan hij onschuldig is, zal behoeven te worden.1

Hierbij komt, dat ook door iederen cognossementhouder machtiging tot verkoop kan worden gevraagd in het geval, dat de goederen aan spoedig bederf onderhevig zijn (art. 516 hd 2) ; niet dus wegens het oploopen der opslagkosten.

A en B zullen ter beslechting van de kwestie, wie van hen de rechthebbende op de uitlevering der goederen is, deze aan den rechter moeten voorleggen ; de meest gereede partij zal de andere te dien einde voor hem moeten dagvaarden. De rechter zal de zaak moeten beslissen naar den regel, dat hij het beste recht heeft, die houder is van het exemplaar, waari*la na den gemeenschappehjken voorman, die houder was van alle exemplaren, het eerst een ander houder is geworden te goeder trouw en onder bezwarenden titel (art. 517). Heeft P een cognossement verkocht en door endossement overgedragen aan Q en daarna een aan R, dan moeten de goederen worden uitgeleverd aan Q ; is het eerste cognossement aan Q geschonken pf heeft Q slechts de opdracht voor P de goederen op te vorderen, dan is R de rechthebbende. Heeft P een cognossement verkocht aan Q en daarna een aan R, terwijl Q het zijne weer heeft verkocht aan S, maar tevoren R het zijne aan T, dan heeft S het beste recht.

Het cognossement bij de I De houder van het cognossement,

anevering | fa t,0t ontvangst van de daarin

vermelde goederen heeft aangemeld, is, na ricbtige aflevering dier goederen, verphcht het cognossement, van kwijting voorzien 2, aan den onderteekenaar of diens vertegenwoordiger af te geven (art. 515 hd 1). Desgevorderd is hij gehouden het cognossement tot zekerheid der teruggave bij een derde in bewaring te geven, voordat met de aflevering der goederen een aanvang wordt gemaakt (art. 515 hd 2). In geval van geschil wordt de derde aangewezen door den voorzitter der rechtbankj binnen welker gebied de aflevering plaats heeft, op verzoek van de meest

1 Verg. blz. 273—274.

2 Een ontvangbewijs is onderworpen aan een vast recht van f 0.25 (art. 40/ der zegelwet 1917), behalve als de vracht minder dan f 10 bedraagt en daarvan uit het cognossement blijkt (art. 40A dier wet) en als het cognossement reeds gezegeld was (art. 40^ dier wet). Het recht mag met een plakzegel worden voldaan (art. 40» dier wet).