is toegevoegd aan je favorieten.

Het nieuwe zeerecht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

401

is alleen een punt, dat ter sprake komt bij de vaststelling van het door elk afzonderlijk te innen bedrag aan hulploon ; een recht op eenig hulploon beeft het hd der bemanning in elk geval; te zijnen aanzien bestaat een wettelijk vermoeden, dat hij zeker in eenig opzicht tot de hulpverleening heeft medegewerkt, hetwelk zelfs voor tegenbewijs niet vatbaar is. Andere opvarenden dan de kapitein en de bemanning hebben daarentegen alleen recht op hulploon, als van hen tevoren komt vast te staan, dat zij tot de hulpverleening hebben medegewerkt; te hunnen aanzien geldt de hoofdregel niet door wettehjke vermoedens verzwakt.

~ZZ~, ZZ, ~, Z I Waar bii de hulpverleening door een

Hulpverlecninjï door een j sr o

schip aan een schip van schip niet alleen de reeder, maar ook de

denzeliden reeder . , . ...,

I kapitein en de bemanning en mogelijk

nog anderen een eigen rechtstreeksch recht en geenszins een van den reeder afgeleid recht hebben op hulploon, daar spreekt het vanzelf, dat, indien aan een schip, zijn opvarenden of de lading, hulp is verleend door een scbip, dat denzelfden reeder heeft, evenzeer van hulploon sprake moet zijn, als wanneer het hulp verleenende en het geholpen schip niet denzelfden reeder hebben, en dat de omstandigheid, dat art. ^68d bepaalt, dat voor hulp, verleend aan een schip met de opvarenden en de lading, het hulploon verschuldigd is door den reeder, hieraan niet afdoet; het tegendeel ware verwonderlijker geweest, want waarom zouden de kapitein, de bemanning en mogehjke andere opvarenden, hun recht op hulploon hebben moeten derven, nu zij hulp verleenden aan een ander schip van hun reeder ? Toch vindt art. 566 het noodig dit nog eens uitdrukkehjk vast te stellen, en wel bhjkens het gebruik van bet woord „niettemin" op een wijze als gold het iets dat niet zoo van zelf spreekt. Wat zonder art. 566 nu inderdaad niet zoo vanzelfsprekend zou zijn geweest, dat is, dat bij hulpverleening door een scbip aan een schip van denzelfden reeder, ook het recht op hulploon van den reeder zelf niet geheel behoort te worden weggecijferd. Voor zoover de reeder iets aan zich zelf zou moeten betalen kan natuurhjk art. 566 niets beteekenen; wel echter, waar derden met zijn hulploonaandeel te maken krijgen. Daar zou men hcht kunnen gaan betoogen, dat de reeder aan zich zelf niets schuldig kan worden en dat dus van een afgeleid recht evenmin sprake kan

Publiek- en Privaatrecht n°. S. 26