is toegevoegd aan je favorieten.

Beginselen van Nederlandsch administratief recht

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HANDHAVING EN TOEPASSING ADMIN. RECHT. II

105

bij Koninklijk besluit of Ministerieele beschikking partieele regelingen ingevoerd, o. a. bij de Directe Belastingen, Invoerrechten en Accijnzen, (regeling van 30 April 1904 no. 19), en ook bij de Posterijen en bij den Waterstaat. Die regelingen waren echter uitteraard geen oplossing van het vraagstuk eener algemeene voorziening in den rechtstoestand der burgerlijke ambtenaren, maar gaven slechts voor deze en gene groep een ordening — een ordening bovendien waarover de betrokken ambtenaren niet steeds hun meening hadden kunnen kenbaar maken en die door hen dikwijls meer werd gevoeld als een regeling ter bescherming van de belangen van den dienst dan als een geheel van voorschriften, die speciaal hun belang tegen onbillijke bejegening poogden te beschermen. Algemeener, althans voor het door haar bestreken, beperkte gebied, waren de hierboven reeds genoemde gemeentelijke verordeningen, die hier en daar tot stand kwamen, en als regel alle ambtenaren in dienst der gemeente, met enkele bepaald genoemde uitzonderingen, omvatten. Maar het geheel van hetgeen langs al die verschillende wegen is tot stand gekomen, vormt allerminst een goed ineensluitende en volledige eenheid. Toen van de indiening van een ontwerp van wet, dat die eenheid moest brengen, ondanks den aandrang in en buiten de StatenGeneraal steeds niets kwam', besloot de rechtstoestandbond in zijn vergadering van 10 Februari 1917, al of niet terecht van oordeel, dat een algemeene en volledige regeling onoverkomelijke moeilijkheden scheen op te leveren, zijn wenschen voorloopig te beperken en zich tevreden te stellen met de instelling, als eerste stadium, uitsluitend van een rechtspraak. Hij richtte op 22 Juni 1917 een adres aan H. M. de Koningin, waarbij een ontwerp van wet werd gevoegd „op de instelling en de organisatie van commissies van beroep voor ambtenaren in publieken dienst". Deze gedragslijn vond echter geen algemeene instemming bij de aangesloten vereenigingen, waarvan enkele deels als gevolg daarvan deels ook als gevolg van de vorming van centrales van ambtenaarsvereenigingen van verschillende richting, uit den bond traden. Bij de behandeling der staatsbegrooting in de vergadering der Tweede Kamer van 16 en 23 Januari 1917 was reeds de vraag, of inderdaad een regeling der rechtspraak moest voorafgaan, ter sprake gekomen, waarbij o. a. door den heer J. ter Laan gevraagd werd om liever tot een volledige voorbereiding van het