is toegevoegd aan je favorieten.

De gemeentefinanciën

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

48

GELDMIDDELEN GEMEENTE IN HET ALGEMEEN

Aan het algemeen burgerlijk pensioenfonds, ten laste waarvan de pensioenen der ambtenaren worden verleend, is de gemeente een jaarlij ksche bijdrage verschuldigd. Deze bedraagt voor het ambtenarenpensioen 10 % en voor het weduwen- en weezenpensioen van het gemiddelde van de gezamenlijke pensioensgrondslagen op 15 Maart en 15 September der op die tijdstippen in haar dienst zijnde onder de werking der wet vallende ambtenaren *). Deze bijdragen moeten jaarlijks vóór 31 December worden betaald. Heeft de betaling later plaats, dan verbeurt de gemeente een door de Kroon te bepalen rente van ten hoogste 5 % per jaar. Bij koninklijk besluit van 10 December 1925, S. 467a, is dit percentage bepaald op 5.

Er zijn gemeenten, welke voor een gedeelte van haar personeel van de bijdragen voor eigen pensioen zijn vrijgesteld. Dit zijn de gemeenten, die op 1 Mei 1913 reeds een pensioenregeling voor haar ambtenaren hadden en die de verklaring hebben afgelegd, dat zij van de pensioenen, later aan die ambtenaren toe te kennen, de gedeelten voor den tijd, in haar dienst doorgebracht, jaarlijks aan het fonds zullen uitkeeren. Voor het eigen pensioen dezer ambtenaren berust bet risico derhalve bij de gemeente in plaats van bij het fonds.

Van de jaarlij ksche bijdragen aan het algemeen burgerlijk pensioenfonds moet de gemeente op haar ambtenaren verhalen 4% % voor eigen pensioen (voor ambtenaren met een z.g. bevestigden pensioensgrondslag 3 % van dien grondslag en bovendien 1 % % van de wedde) en 5% % voor weduwen- en weezenpensioen, laatstgenoemd percentage naar een maximum bedrag van ƒ 3000,—. Dit maximum is in de wet opgenomen, omdat het weduwen- en weezenpensioen, indien de grondslag hooger is dan ƒ 3000,—, niettemin naar dat bedrag wordt berekend. Het zou dus onbillijk tegenover de ambtenaren zijn hen voor weduwen- en weezenpensioen naar een hooger bedrag te laten bijdragen. De gemeente

*) In § 16 van de wet van 29 November 1935, S. 685, tot verlaging der openbare uitgaven, is bepaald, dat het totaal der hier bedoelde bijdragen van 1 Januari 1936 af wordt verminderd met I % van de gezamenlijke pensioensgrondslagen op 15 Maart en 15 September der op die tijdstippen in dienst zijnde ambtenaren.