is toegevoegd aan je favorieten.

De gemeentefinanciën

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

118

HET GELDELIJK BEHEER DER TAKKEN VAN DIENST

dienst. Naar onze opvatting laat de wet dit wel toe; de regelen, bedoeld in art. 122, behoeven immers geen afwijking te bevatten van het bepaalde in art. 120 en in art. 121, eerste lid; zij kunnen zich, naar de duidelijke letter van art. 122, beperken tot een afwijking van het bepaalde in art. 121, tweede lid. Ook voor den tak van dienst blijft de ontvanger dan de ambtenaar, die belast is met de invordering der inkomsten en het doen der uitgaven. De ontvanger, als zoodanig optredende als kassier van het bedrijf, verricht dan geen andere taak dan die, welke volgens de artt. 120 en 121 op hem rust. Ook het boekhouderschap van den tak van dienst, voor zoover dat niet van het kassierschap is te scheiden, moet hij volgens onze meening op zich nemen, indien daarmede geen andere ambtenaar wordt belast, want volgens art. 123, eerste alinea, der wet moet hij boek houden van de door hem voor de gemeente gedane inkomsten en uitgaven. Hieronder vallen toch zeker ook de inkomsten en de uitgaven, welke voor een tak van dienst worden gedaan, immers ook dit zijn inkomsten en uitgaven van de gemeente.

Onze opvatting in deze is echter in strijd met die van de Kroon. Gedeputeerde staten van Noordholland hadden in 1932 goedkeuring onthouden aan een besluit van den raad van Hilversum tot vaststelling van bepalingen voor het kasbeheer van het grondbedrijf, op grond, dat naar hun oordeel de gemeente-ontvanger als zoodanig niet als kassier van het grondbedrijf kan optreden. Het door den raad ingestelde beroep werd bij het reeds op blz. 8 vermelde koninklijk besluit van 1 Augustus 1932, no. 31, ongegrond verklaard.

Als hoofdbeginsel wordt in de beheersverordeningen algemeen aangenomen, dat de financiën van den tak van dienst afgescheiden van die der gemeente worden beheerd en verantwoord; de bezittingen en schulden der gemeente, verkregen of ontstaan als gevolg van de instelling, van de uitbreiding en van de exploitatie van den tak van dienst, worden aangemerkt als bezittingen en schulden van den tak van dienst en als zoodanig beheerd als een afzonderlijk vermogen. Dit afzonderlijk beheer wordt in den regel tot uitdrukking gebracht door een boekhouding volgens de dubbele methode, bij het voeren waarvan wordt gehandeld alsof de tak van dienst