is toegevoegd aan je favorieten.

De gemeentefinanciën

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

210

FINANCIEEL BEHEER ONDERDEELEN GEMEENTEZORG

Middelbaar onderwijs.

school hebben verlaten en niet meer voor die school leerplichtig zijn. Tot het instellen van dit onderwijs zijn de gemeentebesturen sedert de inwerkingtreding der wet van 16 Februari 1923, S. 38, niet meer verplicht. In de kosten van het vervolgonderwijs wordt door het rijk geen bijdrage verleend. Elke gemeente, waar openbaar vervolgonderwijs wordt gegeven, is verplicht aan de besturen van bijzondere lagere scholen, waaraan vervolgonderwijs wordt gegeven, een bijdrage in de kosten van dat onderwijs te verleenen. Deze bijdrage is gelijk aan het bedrag, dat gemiddeld per leerling van het openbaar vervolgonderwijs over het afgeloopen dienstjaar ten laste der gemeente is gebleven. Evenals bij het gewoon en uitgebreid lager onderwijs heeft om de drie jaren een afrekening plaats.

Tot het middelbaar onderwijs l) behooren o. m. de door tal van gemeenten, zonder dat de wet haar daartoe verplichtte, opgerichte hoogere burgerscholen met drie- of vijfjarigen cursus. In de kosten dier scholen, welke voor rekening der gemeente komen, kan, mits de scholen aan de door den minister van onderwijs, kunsten en wetenschappen te stellen voorwaarden voldoen, subsidie uit *s rijks kas worden verleend. Het subsidie is vastgesteld bij algemeenen maatregel van bestuur 2) en bedraagt, mits voldaan wordt aan bepaalde voorwaarden voor de splitsing van klassen, ƒ 900,— per klasse, de parallelklassen medegerekend.

De regeling betreffende het subsidie per klasse op ƒ 1000,— (ingaande 1 Maart 1934 verlaagd tot ƒ 900,—) werd op 1 September 1922 ingevoerd. Op dat tijdstip bestonden er echter tal van gemeentelijke hoogere burgerscholen, welke, krachtens de op dien datum geldende subsidieregeling, een hoogere bijdrage van het rijk ontvingen. Daarom is bepaald, dat het subsidie niet mag dalen beneden

— van het bedrag, dat over 1921 werd genoten, verminderd met

de bijdragen, welke de gemeenten krachtens art. %quater, sub 1, der wet op het middelbaar onderwijs ontvangen ter zake van het bezoeken der school door leerlingen uit andere gemeenten.

L) Wet van 2 Mei 1863, S. 50.

2) Zie het koninklijk besluit van 8 Februari 1934. S. 47.