is toegevoegd aan je favorieten.

De gemeentefinanciën

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

242

FINANCIEEL BEHEER ONDERDEELEN GEMEENTEZORG

ting bezwaren inbrengen bij gedeputeerde staten der provincie, waarin de gemeente is gelegen.

Op haar beurt kan de gemeente, ter bevordering van de verkrijging van onroerend goed door landarbeiders, onder bepaalde voorwaarden rentedragende voorschotten verkrijgen uit 's rijks kas. De rente van alle voorschotten bedraagt 4 % per jaar. Zooals dit als regel geschiedt krachtens de woningwet en om dezelfde reden schiet het rijk alleen geld voor aan de gemeenten, onder welker verantwoordelijkheid het wederom wordt verstrekt aan de privaatrechtelijke lichamen.

Indien een vereeniging of stichting ontbreekt, kan de landarbeider voor de verkrijging van land met woning (een plaatsje) een voorschot verkrijgen van de gemeente. Het plaatsje moet voor het doel geschikt zijn en mag, met inbegrip van de eerste noodige verbeteringen aan bestaande gebouwen en land, niet meer dan ƒ4000 — kosten. Alleen in bijzondere gevallen kan door de Kroon verlof worden verleend van dit maximum af te wijken. De landarbeider moet van de kosten van het plaatsje zelf ten minste het tiende gedeelte kunnen betalen; het restant wordt hem onder hypothecair verband van het onroerend goed verstrekt tegen een rente van 4 % per jaar. In de eerste drie jaren behoeft hij slechts rente te betalen; daarna moet de betaling der rente met de aflossing van de schuld plaats hebben in 30 annuïteiten, elk groot 54/8 % van het bedrag der schuld. Om zijn lasten nog verder te vellichten, wordt den arbeider toegestaan om ter voldoening van ten hoogste 25 % van het verschuldigde bedrag een jaarlijksche grondrente op het plaatsje te vestigen. Welke verlichting van lasten dit geeft, moge blijken uit het volgende voorbeeld, dat wij ontleenen aan de aanteekeningen op art. 35 der wet in no. 88 der Nederlandsche staatswetten (ed. S. en J.), alwaar het, met wijziging van enkele cijfers, is overgenomen uit de memorie van toelichting bij het ontwerp van wet.

Stel, dat een plaatsje kost ƒ 1800,- en dat de landarbeider ƒ 300.— kan betalen, dan moet hij ƒ 1500,— opnemen. Hiervan is verschuldigd gedurende twee jaren en het jaar 4 % 's jaars = ƒ 60,—. Daarna bedraagt de annuïteit (ad 5 Is %) gedurende 30 jaren ƒ 87,-. Vestigt de landarbeider een grond-