Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

6

TON EN KEES OP 'N SLEEPBOOT.

Jeeg, alleen een paar groote jongens drentelden nog wat rond; zij hadden het druk over een meetkundestelling, die hun niet duidelijk scheen. Een klein, kittig kereltje met een kraakstem en dunne smalle beentjes, was blijkbaar de bolleboos en gaf zijn forschen kameraden een zoo'n heldere uitlegging, dat een der toehoorders uitriep:

„Als jij niet later professor wordt, Reinier, ben ik een boon!"

Het kleine mannetje glimlachte gestreeld.

Verderop drongen een paar anderen om een fiets, die blijkbaar niet in orde was.

„Wat scheelt er aan, Kees?" vroeg een flink gebouwde boy, die zonder pet en met bloote knieën, zóó van een voetbalveld had kunnen weggeloopen zijn.

„M'n voorband is lek, heb je 'n pomp, Ton?"

„Neen, vraag het even aan den „Neus."

„Dank je, die heeft me gisteren nog bij den „Baas" aangebracht, omdat ik te laat was. Heeft niemand er een, jongens?"

„Hier!" klonk het plotseling en tegelijk drong' een arm tusschen de hoofden door en reikte een pomp over.

„Merci, Frits!" en Kees pompte, dat hij er uitzag als 'n opgeblazen kalkoen.

„Het helpt niet veel, jong!" bromde Ton, terwijl hij met duim en vinger de patiënt onderzocht, „je mot an 'n nieuwe, je band is zoo lek als 'n zeef!"

„Als hij 't maar 'n kwartiertje houdt!"

Sluiten