Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

14

IN VADERS VOETSTAPPEN

daartoe gekomen acht, zal ik die vraag zelf wel stellen," was hij geëindigd.

Er was ook niet meer over gesproken.

Maar er werd des te meer over gedacht, vooral door Otto en Oom.

Oom voelde, dat er moeilijke dagen voor hem konden komen. Dagen van strijd in zijn binnenste.

En in Otto's hart was nu al onrust.

Was hij niet ondankbaar geweest tegenover Oom en Tante, die toch altijd zoo goed voor hem zorgden?

En o, hij moest er niet aan denken, dat hij hen verlaten zou, want hij hield veel van hen, heel veel.

Ook van de nichten. Vooral van Ans. . Maar er was in zijn hart ook een onbegrepen verlangen naar dat verre Oosten, waar hij het levenslicht had aanschouwd. Het leek wel of hij een stem hoorde, die hem zei, dat daar zijn levenstaak lag.

In den vallenden avond, aan het meertje gezeten, had hij weer geluisterd naar die stem en in z'n droomenwereld had hij de bruinen gezien, in wier midden hij stond en met wie hij sprak. Er was een oud man gekomen, die hem gezegd had: „Daar heeft uw Vader gewoond."

Dan weer voelde hij zich gedragen op den arm van een jonge vrouw, die hij z'n mammie noemde; of hij zat op haar schoot, net zooals op het portretje in het album van Ans.

Eerst toen de frissche wind hem, waarschuwde, dat de zomeravond ook koud kan zijn, stond hij op en liep langzaam naar „Rustoord."

Daar weken de droomen. Daar was alles werkelijkheid. Daar spande een ieder zich in om het hem aangenaam te maken.

Daar vergat hij ook z'n verlangen en daar leefde hij z'n gelukkig jongensleven.

Sluiten