Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Wel ja, je hebt gelijk, Spitske ! Vooruit mannen!» riep Rémi.

„En avant, cochons!» riep Spits nu opgelucht.

„Cochons!» grinnikte Chaquejour weer, terwijl ie valsch loensde naar den mageren Spits. „Ik zou liever zeggen: „Vooruit met de geit!»

„Da's voor mij,» zei de Spits op 'n onverschilligen toon, terwijl ie met de hand z'n witte pinharen achteruit streek.

Twee minuten later zat ons heele troepje naast het huis van klompenmaker De Zwart op de boomen te genieten van de cigarillos.

„Toch wel fijntjes, hé?» vroeg de dikke met stralend gezicht.

„Echt Havanna!» viel Spits bij en hij blies den blauwen rook met 'n spits straaltje door 'n lippentootje.

„Echte manilla - stinka! Kwartje den kruiwagen!» spotte Chaquejour, terwijl ie drie meter ver spuwde.

„Gooi maar weg!» zei Poem 'n beetje geërgerd.En toen Chaquejour nog dapperder dampte: „Zeker, 't is bij jou altijd stroo en stinkadores en zoo, maar jij lust ze toch wel!»

„Nou en koffie!» lachte Fik.

Chaquejour hield zich goed en dampte met forsche trekken. Toen, om 't gesprek af te leiden, zei ie: „Zeg jongens, bij Fransen zitten ze nou juist aan tafel.»

„Jè, en ?» klonk 't uit drie monden.

„Ik heb dorst voor een paar appeltjes,» lei Chaquejour uit. „En daar hangen heerlijke oogstappels over de heg heen.»

„Gaan we ?» vroeg Rémi direct. Als er te eten viel, was die er altijd voor te vinden.

„Ik liever niet,» zei Fik; „we kunnen net zoo goed 'n paar knolletjes pakken onderweg.

„Ja, kom, laten we maar gewoon doorgaan,» viel Spits bij, die van fruitdieverij heelemaal niets moest hebben.

Sluiten