Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

119

en ging Miep vóór naar 't kamertje.

In de gang stonden de meisjes en Miep beduidde ze 'n beetje in de buurt te blijven. De conciërge ontsloot met 'n gewichtig gezicht de kast en haalde 'n groote doos te voorschijn.

„Nu jongejuffrouw, U ziet wel dat ik er heel wat heb."

„Nou," lachte Miep, „daar zitten minstens twintig standjes in die doos." •

„Als H niet meer is, welk is Uw schortje?

„Laat me zelf maar eens kijken," riep Miep uit, ,,'t zal wel onderin zitten, want 't is lang geleden sinds ik er een vergeten heb."

„Zoo, zoo."

Miep haalde de heele doos onderste boven en wachtte op 'n gelegenheid de schortjes te kunnen loozen.

„Vindt U 't nog niet?" vroeg de man, die even afgeleid werd door iets wat buiten gebeurde. En in dat moment wenkte Miep de meisjes binnen te komen die om 't hoekje van de deur verdekt opgesteld waren geweest.

„Hier Jopy, hier Hannie, Cato, hier, hier pak aan," riep ze schaterend van 't lachen en de schortjes vlogen door 't vertrek in de handen van de eigenaressen. Natuurlijk keerde de conciërge zich dadelijk om en zag 't vreeselijke tooneel. Als hij misschien wat meer van kinderen had gehouden, zou hij de zaak licht niet zoo erg hebben gevonden, maar nu hij 'n oogendienaar was en alle kinderen lastig en onverdragelijk vond, werd hij vuurrood van woede en sprong dadelijk op Miep af.

„Wil je dat wel 'ns laten," schreeuwde hij en trachtte haar de doos te onttrekken.

Maar Miep was niet van plan iets half te doen en er stonden nog wel tien meisjes met opgeheven armen, wachtend op haar schortjes. Weer

Sluiten