Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

17

zamerhand wende ik aan den veranderden toestand en eindelijk werd ik zelfs weer zoo vroolijk, als een jonge hond maar zijn kan.

In het schuurtje behoefde ik nooit lang te blijven, want zoodra had Walters mijn moeder niet geroepen om met hem mede te gaan, of de jagersvrouw kwam mij halen, om haar gezelschap te houden. Kinderen had zij niet, en daarom, geloof ik, had zij mij altoos zoo graag bij zich.

„Kom Lobbes," riep zij dan, „kom jij maar bij mij, anders ben ik den heelen dag alleen."

Zij noemde mij altijd Lobbes, wat ik volstrekt geen mooien naam vond. Ik begrijp niet, hoe zijn aan zoo'n leelijken naam kwam, want daar was ik toch waarlijk geen hond naar. Wel was ik in die dagen nog wat hoog op de pooten en schenen die lichaamsdeelen mijn rechtmatig eigendom niet te zijn, zoo raar slingerden zij soms heen en weer; wel hingen mijn ooren een beetje eigenwijs langs mijn hoofd en hield ik er allerlei dwaze manieren en zotte bewegingen op na, maar neen — een lobbes kon ze mij toch niet noemen, en dat ze mij dien naam gaf, kijk, dat was het eenige, wat ik niet aardig van haar vond,

Onder versahUlende Meesters. 2

Sluiten