Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

8

„De bergen ontmoeten elkander niet doch de menschen wel," zegt Charles met een vroolijken glimlach. „Ben je nu op reis naar ons?" „Goed geraden!"

„Dat is heel aardig van je! En wat voor oogen zullen mijn grootouders opzetten, als ze je zien!" zegt Lena, nog nauwelijks bekomen van haar verbazing.

„Kom, Tyras," wendt ze zich tot den grooten hond, düe met de 'tong uit den bek zich languit heeft uitgestrekt in de schaduw der kastanjeboomen; „kom eens hier, Tyras — dat is meneer Marling."

De hond nadert; hij laat de scherpe tanden zien.

„Kijk," zegt ze: „dat is een onhebbelijkheid van Tyras, waarop' ik niet bedacht ben geweest, 't Is de schuld van broer Arie, die hem in der tijd heeft geleerd, om telkens bij het woord „Engelschman" de tanden te laten zien."

„Aardig vind ik het niet," meent Marling, terwijl een licht fronzen over zijn voorhoofd gaat.

„Ik evenmin," zegt Lena: „Grootvader heeft het Arie ook zeer kwalijk genomen." |

„Maar het zit nu eenmaal in den hond," laat zij er op volgen: „en dat gaat er niet zoo gemakkelijk meer uit."

„Neen," zegt Marling op lahgzamen toon; „het blijft er lang in zitten, bij honden en — bij menschen."

„Hoe bedoelt ge dat?" vraagt Lena met een verwonderden opslag van haar oogen.

„Wanneer den menschen haat en afkeer wordt ingepompt, zooals ik het nu sedert acht dagen reeds voor den derden keer ondervind, dan blijft het er lang in zitten."

„Voor dien afkeer kunnen soms deugdelijke redenen bestaan, antwoordt Lena op fermen toon. I

„Ook voor den afkeer der Boeren tegen al wat Engelsch is?'

„Wis en zeker."

Het gesprek dreigt een onaangename wending te nemen.

Tyras knort tusschen de tanden door, doch Lena maakt er met den haar eigen takt een snel einde aan.

„Tyras", roept ze: ,,'t Is Charles Marling — Charles, hoor!"

„Kijk," zegt ze op schalkschen toon: „nu bedaart hij al. Als de Engelschman maar niet boven komt, Charles, dan raakt alles gauw in orde."

Marling moet er zelf om laehen, en met welgevallen rust zijn

Sluiten