Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

177

ik mijn kleeding, waaraan Eliëzer mij meende te herkennen, ten haren huize heb verwisseld tegen eene militaire uniform. Zij is mijn getuige."

Het was tante Martje vreemd te moede.

Gisteravond had zij met haar man nog gesproken over Frits, doch hij had ten slotte met strengen blik en harde stem gezegd: „Hij is de brandstichter — noem zijn naam niet meer!"

En hier was nu Frits, en hij kon getuigen noemen

Maar helaas, nu was alles te vergeefsch, want baas Jansen was reeds ver weg, en nog vandaag — vandaag! — kon de onvermijdelijke botsing met Jameson's troepen plaats hebben.

Onverzoend was Jansen in den oorlog getrokken, en zij wist, dat het onbarmhartige Maxim van Engeland het leven der menschen afsneed als rijp gras

Zwijgend gingen moeder en zoon naar binnen; de zusters kwamen hun broeder reeds tegemoet, en op verrasten, vroolijken toon riepen zij: „Wees welkom, Frits! wees welkom, en een gelukkig Nieuwjaar!"

De liefde en de hartelijkheid, waarmede Moeder en zusters hem ontvingen, verkwikten de ziel van Frits.

Frieda nam hem het geweer af, en Lucie den bandelier.

,J3at is jouw geweer toch niet?" vroeg Frieda.

,JJeen," zeide Frits: „het is van oom Kloppers. Het mijne is achtergebleven in Rhodèsia."

Hij vertelde op zijn onopgesmukte manier de lotgevallen zijner laatste dagen, den vreeselijken rit op leven en dood en den ontzettenden sprong over den gapenden afgrond.

Vol aandacht en aandoening zaten de huisgenooten te luisteren, en moeder Jansen hield de handen van haar wakkeren jongen in de hare, en staarde hem aan met vochtige oogen.

Ach, had Reinard Jansen er bij gezeten! Hoe zou hij aan de • onschuld van zijn zoon hebben geloofd! Hoe zou zijn oog bij het verhaal der stoute daden van zijn kind hebben geschitterd van vreugde en glorie! Hoe zou hij zijn moedigen jongen aan het hart hebben gedrukt, en hoe zou alle toorn en bitterheid zijn verzonken in een zee van eeuwige vergetelheid

„Zijn de Kaffers rustig?" vroeg Frits.

Hij bedoelde de honderden Kaffers, die in een naburige goudmijn werkten.

„Zij hebben gister het werk gestaakt," zei tante Martje: „maar

De Ruiters. 12

Sluiten