Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

met vlugge beenen en ferme vuisten aan 't lijf en open eerlijke oogen in 't hoofd.

Kareltje.... zóó noemden ze hem allemaal. Hij logeerde voor een paar weken bij zijn grootvader, den ouden dokter van het dorp. Hij was het eenigst kleinzoontje van de oude menschen. Daarom zeker noemden die hem nog altijd bij den klein-kindertjes-naam: Karelfje.... En de boer en de boerin van de groote hoeve, die tegenover het doktershuis lag, noemden hem toen óók maar Kareltje; — en Kees en Mien en kleine Jan en de knecht en de meid en alle anderen van 't dorp, die hem kenden, deden 't ook.

Kareltje vond het goed. Kareltje vond alles goed, als lüj maar heerlijk, dol en wild spelen kon in 't vrije, vroolijke boerenland .... Thuis, in de stad, tusscben de hooge huizen en de drukke straten, was je net een vogeltje in een groot kippenhok. Je vloog overal tegen aan en je kon er tóch niet uit.

Maar hier!.... O, als lüj in den zomer voor een paar weken naar grootvader en grootmoeder mocht, dan was het nèt, of het deurtje van het groote kippenhok openging en hij zóó maar de blije, blauwe lucht invloog.

Hier! Hier kon je de prachtigste spelletjes verzinnen.

Hier was alles vroolgk en vrjj. Hier was de hééle wereld van je..

Vanmorgen, na het ontbijt, was Kareltje dadelijk naar de boederij getrokken. Iedereen daar leende Kareltje. Iedereen hield van hem.

„Zul je voorzichtig zgn, Kareltje? En zul je je pakje

schoonhouden?.... En zul je goed gehoorzaam zijn en je netjes gedragen?.... En zul je precies op tijd...."

„Ja, grootmoe!.... ja, grootmoe!"

112 —

Sluiten