Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

riep: „Jan, kom-ie? Waar benne de kinders toch den

heelen mórge ?....

Toen begon de boer te lachen „Waar de kinders benne?

Dóar! ... .Kiek moar!" En hg wees met zijn dikken vinger naar den droeven stoet, die naderde.... „Kiek moar!"

De boerin kwam naar buiten, keek om den hoek....

„Oo-h!" riep ze „Oo-h!"

Ze sloeg de handen in elkander van den schrik. Ze kon niets zeggen dan: „Oo-h!"

En de knecht en de meid, die op de pannekoeken afkwamen, bleven ook staan, nieuwsgierig, met groote, verbaasde, verschrikte oogen.

Toen stonden daar de kleine, dappere biggen jagers midden in den kring: Ze schaamden zich; ze hadden vnnrroode wangen, en keken bedrukt naar den grond, alle drie.

Kareltje.... ? Zijn uitgescheurde mouw bungelde om zgn arm; zijn vuile, blo o te beenen staken in zijn zwart bemodderde schoenen, zgn natte kousen hingen halverwege uit zijn broekzakken....

Kees.... ? Hij had een bloedige schram over zijn wang, een scheur in zgn broek, en een kous om zgn bals, en zijn éehe, vuile been was bloot....

Mien.... f Haar haren waren verward, haar wit-ge schuurde klompen waren zwart en grijs en groen; haar helder schoone schort was verfrommeld en vuil; haar lichte jurkje óók....

En ze keken aUe drie, of ze een vreesehjk kwaad hadden gedaan.

De lange veldwachter maakte een geweldigen zwaai met zgn arm over de drie gebogen hoofden been en zei met strenge bulderstem: „Drie schuldigen, op heeterdaad betrapt! Drie

135 '

Sluiten