Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Tommie zag opeens dat ze midden in het bosch waren en nn begon de drukte. Eerst hadden zij alleen op het smalle pad geloopen, maar op den grooten rijweg, waar ze nu kwamen, renden groote dieren, hazen en konijnen voorbij, de ooren achterover. Elk oogenblik moest Grommie hem opzij trekken omniet overreden te worden. Tusschen de eekhoorns die voorbij ritsten •waren ook wezels, die kleiner en sneller voortschoten en een enkele keer moesten allen rechts houden om een groot hert voorbij te laten rennen. Op het voetpad voor oude dames kropen de schildpadden en de mollen, die zoo bijziende waren dat ze tegen iedereen aanliepen. De slakken gingen telkens in hun huis rusten en lieten dan de spinnen die op een langzaam drafje kwamen aanzetten maar over zich heen loopen.

Tommie had werk om tegen niemand aan te bonzen. Ieder had het druk met zijn eigen wegje en lette niet op de anderen. Alleen op een smal zijpad zag hij een heeleboel mierenkindermeisjes die met de grootste zorg en toewijding de kleine mieren droegen en ze geen enkelen keer uit hun voorpooten lieten vallen.

Nu kwamen ze op een plein, een reusachtig plein. Tommie zag dat alle dieren zich in een grooten kring schaarden, en hoorde het zachte klepelen van vele blauwe klokjes.

„Wat beteekent het dat de klokken luiden?" vroeg Tommie, maar tegehjk merkte hij dat hij veel te hard gesproken had. Om hem heen was het heel stil geworden, alle drukte had opgehouden, de dieren zaten rustig bij elkaar.

Opeens hield Tommie zijn adem in, want van heel hoog zette muziek in, die dun en fün begon als het stuivende water van fonteinen. Nachtegalen hadden zich, onzichtbaar zingend, op de takken gezet. Van beneden groeide het donkere koor aan

146 -

Sluiten