Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

— 45 —

Maar dien éénen keer... 't Was op een winterdag en er lag sneeuw. De baas was uit, de vrouw bij 't kind beneden bezig. Er was geen werk voor Max 't was stil buiten, er ging haast niemand voorbij. Maar onder een dekkleed op den wal lag Hek, de vijand, op den loer. Daar komt uit een huis aan de haven een dienstmeisje met een bord overgebleven eten, dat ze achter een boom legt... Op 't wit van de sneeuw ziet Max duidelijk aardappelen, een kluif, vischkoppen. En zijn neus jeukt van de geuren, die de wind hem toewaait. Zal ie? Maar nee, hij mag nu niet van 't schip, en hij is toch ook geen armelui's hond, die eten op straat hoeft te zoeken ! - Van onder het dekkleed gluren nog twee oogen en snuffelt nog een snuit. Zal ie? Max kijkt zoo, en daar is ie bang voor... Maar komaan, Max durft toch niet van 't schip ! Hek schiet vooruit. Maar Max heeft de beweging gezien. Hij vergeet alles, vliegt de loopplank af... die gluiper, hij zal het lekkere hapje niet hebben! Snap, hau, hau! De vijand druipt af, en Max begint gulzig te eten... Achter zijn rug sluipt Hek het schip op... Als Max terug komt - de kluif heeft 'm lang opgehouden, is er geen Hek meer te zien. Maar op het dek... op het dek ligt omgevallen, leeg, het deksel er af: een pannetje van de vrouw» dat vol eten was! Verschrikt snuffelt Max er aan: Hek natuurlijk, de valscherd! Maar - en nu gaan kop en staart omlaag de baas en de vrouw zullen denken... en o, hoe zal hij 't ze vertellen!

Zoo vindt de baas hem even later. En - hoe

Sluiten