Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

50

ze ook niet: „Luilakje!" ...Maar toen moest Mieke zóó lachen, dat ze lachende tegen Juf aanviel - ieder lachte mee.

't Was ook zoo'n grappig lief ding, die Mieke, de kleinste en de jongste van de klas. Allemaal hielden ze van haar om haar vroolijk, prettig humeur, haar aardige maniertjes en haar gouden hartje.

De lente en de zomer gingen voorbij, nu was 't herfst. Op een mooien Zaterdagmorgen - 't verteluurtje in de school zou net beginnen - vroeg Mieke in eens: „Juf, is er ook een herfstfee?" Daarbij keek ze Juf met groote, smeekende oogen aan. Maar Juf deed, of ze 't kleine ding niet begreep: „Ja, Mieke," zei ze alleen, „maar nu moet je mooi gaan zitten."Even was Mieke teleurgesteld... hè, ze had zóó gehoopt nu had ze in eens geen zin in een andere vertelling... Maar pas was Juf begonnen, of Mieke's oogen werden groot en haar mondje ging open...

„Jullie weet nog wel," hoorde ze, „hoe mooi de lentefee de wereld gemaakt had, vol groen en bloemen en vroolijke geluiden ? Nu, de heele lente en den heelen zomer bleven de boomen en planten groeien en bloeien, en altijd nog droegen ze hun groene kleedje. Maar dat kleedje was er langzamerhand niet mooier op geworden. Dikwijls was het stoffig geweest, en dikwijls had de regen het dan gewasschen, en de wind had het, wel eens wat ruw, opgedroogd. Daar was het vaal van geworden. Toen dacht de herfstfee..." - ,,0, o, nou komt ze!" klonk in eens Mieke's blije stemmetje, dat ze allemaal naar haar keken en lachten...

Sluiten