Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

51

,\Toen dacht de herfstfee: „Kom, 't wordt nu tijd, dat ik de boomen en planten blij maak met een nieuw kleurtje op de oude kleedjes. Dan kunnen ze er nog wat mee pronken, eer ze slapen gaan." - Toen zwaaide ze haar stafje en tooverde de vale kleedjes om in vroolijk gele en goudkleurige, in vlammend roode en glanzend bruine, en ze liet ze glinsteren in haar eigen, vriendelijke herfstzon.

„Maar nu moeten die bleekneuzen van appels en peren nog een beurt hebben," zei de fee, „de kinderen verlangen al naar ze!" En ze gaf de appels en peren roode wangen, die bol stonden van heerlijk sap. Ze riep ook de trekvogels bij mekaar en vroeg, of het haast geen tijd werd om kaartjes te nemen voor de groote reis naar 't zuiden: kleintjes hadden ze niet meer te verzorgen, en van 't zingen waren ze moe.

Maar toen het nog wat verder in den tijd werd, begon de fee fluister praatjes tegen de bloemen te houden: ze moesten nu ook maar eens ophouden met groeien en bloeien, ze zouden óók wel moe zijn. En ze riep haar trouwen dienaar, den herfstwind. Die moest de kastanjes van de boomen schudden, en de eikels en de beukenootjes. ,,'t Is ook voor de kinderen, weet je," zei de fee. „En vergeet niet, zoo langzamerhand de blaren van de boomen te laten dwarrelen. Laat ze dan eerst nog maar eens vroolijk dansen en kri-krakraken onder de kindervoeten. Gauw heb ik ze noodig, om er een kleed van te weven, waar de teere plantjes in 't bosch en de kleine diertjes onder slapen kunnen." Zoo had de herfstfee het nog heel druk, want ze rustte

Sluiten