Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

9

4. MADELIEFJE.

adeliefje, pronkjuweeltje

In mijn hof, Waarom buigt ge uw kleurig hoofdje

Neer in 't stof?

Door een stralenkrans omgeven,

Prijkte uw kroon; Geen uit heel derf stoet der zust'ren

Blonk zorf schoon!

Kwam een knaap uw steeltje knakken

Met zijn hand, Of een voet u wreed vertreden

In het zand?

Bogen gierende onweersstormen

U het hoofd? — Zeg, o, zeg me, wie uw schoonheid

Heeft -geroofd!

Maar zou 't wellicht mooglijk wezen,

Dat ik weet, Wie uw steeltje en te^re blaadjes

Dorren deed?

't Zonlicht, dat de/ gans^fey morgen

Nijdig stak, Gaf misschien uw jonge fierheid

Zulk een knak.

Sluiten