Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

34

16. HET VINKJE.

'k I—[eb mijn nestje gebouwd

1 J Aan dejf zoom van het woud, En daaronder ruisoïft zachtjes de vliet,

Die mijn veertjes bespat,

Als hij 't parelend nat Me tot lavende/morgendrank biedt.

Als de zon klimt in 't Oost

Aan dei hemel, die bloost En met rozige wolkjes zich tooit,

Klinkt mijn jub'lende groet

Haar als welkom te moet, Daar mijn wiekje zich blij weer ontplooit!

En ik zwier dan zoj< vrij

Over bospff, over wei, En ik zoek er mijn spijze langs de aard;

Immers de akker schaft voer,

Of ook somtijds de boer Ons verjaagt, daar hij gromt in zijn baard.

Daalt de zon in het West

En belonkt ze voor 't lest Nog eens d'aard met haar vriendlijksten lach,

Dan weerklinkt nog het lied,

Dat mijn keeltjen ontschiet, Door het woud met een heldere» slag.

Sluiten