Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

29. TWEE LUILAKKEN.

Baas Spaander sprak zijn jongens aan: „ Nu knapjes aan het werk gegaan; „Het huis van juffrouw Pimpernel „Moet klaar vandaag. Versta je wel?"

„Ja, baas!" zei Jan. „Goed, baas!" zei Piet; Maar onze» jongens leek het niet: Veel liever zouden ze in het groen Een heerlijk middagdutje doen.

Vooral ons Jantje was vandaag De rust een lust, het werk.een plaag, En hij bedacht zich dan ook snel In 't huisje van vrouw Pimpernel.

Hij ging naar boven: tot zijn pret

Lag daar een overheerlijk bed

Van lange krullen juist gespreid.

Hij dacht: „Geen prins, die zachter leit."

In 't krullenhoekje sliep hij in. Daar vond hem Piet: „Heb jij geen zin, „Ik geef van 't werken ook de brui: „ We zijn voor niét geen timmerlui."

De baas hoort hamer, schaaf, noch zaag, En denkt: „Wat zijn die jongens traag!" „ Wat doe je, Jan ?" zof roept hij luid; „Ik? — Niets!" en Jantje rekt zich uit.

Sluiten