Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

telde van buurvrouw en vroeg aan Moeder of ze buurvrouw mocht gaan roepen. Want die zou Grootvader ook wel willen zien. Moeder keek Grootvader aan en die knikte lachend van „ja".

Maar buurvrouw wilde niet met Eef meegaan. „Ik hoor niet bij de aristokraasje," zei ze. „Ik kom later wel 's, als je Moeder alleen is."

Eef ging de boodschap beneden overbrengen. Maar Moeder en Grootvader hoorden haar nauwelijks. Grootvader zat te vertellen van Grootmoeder, dat die zoo naar Moeder verlangd had, en zijn gezicht stond heel droevig en Moeder huilde weer zachtjes. Truitje had het ook nu wel graag weer voor Moeder opgenomen, maar ze wist, dat ze zwijgen moest, want van de dooden mocht je geen kwaad zeggen. Moeder verdedigde zich ook niet — doch ze legde haar hand op Grootvaders hand en snikte.

„Heeft ze mij vergeven?"

„Alles," zei Grootvader. Toen schraapte hij zijn keel en vervolgde:

„Tot het laatste toe heeft ze voor je gebeden — en geloofd dat de Heere je terug zou brengen — en haar geloof is niet beschaamd."

Moeder snikte.

„Had ze het maar mogen beleven."

„Ja," zuchtte Grootvader. Hij kuchte weer.

Toen klaarde zijn gezicht op.

„Maar over haar hoeven we niet meer te treuren — zij is verlost van alle smart."

Truitje luisterde als in een droom. Grootvader praatte net als de Juffrouw. Ja — dat had ze wel gedacht,

179

Sluiten