Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANKOMST EN KENNISMAKING

13

ernstig mét hen gesproken. Op de wandeling liep hij nu eens met zijn eene en dan weer met zijn andere kind vooruit, om nog eens van alles en alles te kunnen bepraten. En moeder had hen dien laatsten tijd zoo vreeselijk verwend en vertroeteld, alsof ze hun genoeg liefde voor al die jaren van scheiding wilde meegeven.

Een van de laatste dagen voor hun vertrek had vader gezegd: „Denk er om, kinderen, dat jullie vast elke week schrijft en dat je ons alles vertelt, zoodat we heelemaal met elkaar mee kunnen leven, alleen, zorgt er voor, dat je moeder nooit bedroefd of ongerust maakt met kleinigheden die je zelf misschien alweer vergeten bent tegen den tijd dat wij je brief krijgen." Zoo waren de moeilijke en toch zoo gelukkige weken omgevlogen en maar al te gauw brak de afscheidsdag aan, waarop vader en moeder hen naar de boot brachten.

O, wat had moeder hen gepakt en gekust, alsof ze hen nooit meer los wilde laten. Maar even later stond ze toch naast vader aan wal, terwijl de boot langzaam wegvoer.

Toen, wuiven, wuiven, wuiven, en toen ach nee, niet

denken aan toen....

Zoo waren ze met hun drietjes de wijde, wijde wereld ingegaan, heelemaal alleen onder vreemden. O, nee, gelukkig niet, gelukkig wisten ze alle drie, dat er Eén met hen mee ging, die hen liefhad en helpen en beschermen zou.

„Niet doen, Ernst!"

Opeens was er een klein handje in Ernst's hand gekropen en twee groote bange oogen keken hem aan.

Zoo kwam Ernst tot de werkelijkheid terug. Hij zat in den trein in Holland, maar had zoo aan huis gedacht, dat hij 't heelemaal vergat en warempel, zonder dat hij 't wist, Petertje bang maakte door te gaan huilen. Dat was ook een mooie manier om zijn belofte aan moeder, om altijd in de eerste plaats aan Petertje te denken, te houden.

Sluiten