Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

AANKOMST EN KENNISMAKING

15

heen en weer. Uit verschillende coupés klonken bange schreeuwen en booze woorden. In een van de deurtjes verscheen een dikke mijnheer met een kwaad rood gezicht, die maar commandeerde:

„Doe weg dat beest, direct, weg met dat beest."

Maar de poes glipte hem juist tusschen z'n beenen door naar binnen.

„Doe u 't deurtje dicht, gauw," schreeuwde Ernst, „dan hebben we 'm zoo."

Maar de booze heer duwde Ernst achteruit, liet de deur open, de poes ontsnapte weer, en de jacht kon opnieuw beginnen.

Eindelijk waren de menschen zoo wijs alle deuren te sluiten en bleven de kinderen alleen met de wilde kat in de gang.

„Nu kalm aan," commandeerde Ernst. „Eerst het dier een beetje tot rust laten komen en hem dan voorzichtig pakken."

Toen al dat gehol uit was en de poes niet meer aan 't schrikken werd gemaakt, kroop hij al gauw in een hoekje, waar hij hijgend bleef zitten.

„Zoo, nu kunnen we 'm pakken, vooruit, voorzichtig."

Heel langzaam en kalm naderden ze het dier, dan opeens bukte Ernst zich en had hij de spartelende kat stijf in z'n armen geklemd. In optocht gingen ze er mee naar de oude dame, die o zoo blij was dat ze hem goed en wel weer terug had. Nu moest hij weer in z'n mandje, dat door Ernst extra stevig werd vastgebonden.

„Dat arme beest," zei Adrie, „zou hij 't nu niet benauwd hebben?"

„Neen, benauwd heeft hij 't niet, maar hij is altijd wel een beetje bang, als hij mee op reis gaat."

„Neemt u hem altijd mee?" vroeg Adrie verwonderd. „Ja," lachte de oude dame, „ik heb geen ander gezel-

Sluiten