Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

74

De redder in den nood

De huisdokter vond het goed. Het was een vader, en het gold het leven van zijn eenig kind — de Dokter verstond dat wel. Maar hij had het van meet aan donker ingezien; de koortsen kwamen zoo geducht opzetten en volgden elkander zoo snel op, dat het erg was. En den negenden dag lag de jonge Toon Doornberg daar in de mooiste kamer van de Pruimenhoeve — op het doodsbed....

De haren van baas Doornberg zijn niet vergrijsd — ze zijn wit geworden als de sneeuw op het veld. Daar zit een oude man op de kar: krom, gebogen, bezwijkend onder den last, dien God Almachtig er heeft opgelegd.

God is met hem in het gericht gegaan. In die lange, droeve nachten, toen hij waakte bij zijn kind, heeft de Heere hem de zonde der gierigheid, waarin hij was verstrikt geraakt, ordentlijk voor oogen gesteld, en terwijl de Decemberstorm de toppen zwiepte der trotsche eiken rondom rijn huis, heeft hij de stem van God gehoord. En zijn vrouw, die goede, vrome ziel, heeft naast hem gezeten al die nachten

Hij was een dwalend schaap, maar de goede Herder is bezig, hem terug te brengen naar de ware schaapskooi: dat is Christus. Hij had de pinnen van zijn tent te vast geslagen in de aarde; hij verbeeldde zich, hier een blijvende stad te hebben, maar nu weet hij, dat hij een pelgrim is, die door vele verdrukkingen moet ingaan.

Vlak voor het huisje op de Hoogt houdt baas Doornberg stil.. Gijsje heeft er voor gevreesd, en had zij kunnen vluchten, ze had het gedaan.

De boer is reeds van de kar gestapt. Hij bindt het paard vast aan den beuk, die daar aan den straatweg staat, en zegt tot Bram: „Is je moeder thuis, jongen?"

,Ja," zegt Bram: „zij is thuis!"

Sluiten