Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VIL

DE VADER DER WEEZEN.

Toen baas Doornberg het schamele woonvertrek was binnengetreden, voelde de weduwe geen grond onder haar voeten.

„Dag zuster!" zeide hij: „hoe gaat het zoo al?"maar zij hoorde niet eens, wat hij zeide — zoo was ze geschrokken, en werktuiglijk, met een bonzend hart, gaf zij hem de hand.

Toen was er een pauze. De boer was niet op zijn gemak; hij keek schuin uit, en scheen geen aanloop te kunnen vinden voor een gesprek. Hij maakte de knoopen los van de dikke duffelsche jas; hij haalde het steenen pijpje uit het vestzakje en stopte. Toen nam hij een zwavelstok van den schoorsteen, om aan te steken.

„De kachel is uit," zei Gijsje: „hier is een lucifer, Baas!"

„Laat maar!" zei de boer.

Hij legde de pijp op de tafel neer en nam een stoel.

De kachel uit! en dat bij die felle winterkou

„Ik moet zuinig zijn met de steenkolen," vervolgde Gijsje; „en ik heb de huishuur verleden Zaterdag ook niet kunnen betalen — het spijt mij erg, Baas!"

Haar stem besefde, terwijl zij de laatste woorden uitsprak, maar Gode zij dank! het was er uit.

„En ge hebt ook zoo'n verlies gehad!" liet zij er bijna onmiddellijk op volgen: „ik betuig u wel mijn deelneming, baas Doornberg!"

Sluiten