Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dreef weer naar de oppervlakte. Dan was het voor den grooten snoek ook tijd, opnieuw aan het werk te gaan. Tusschen dat veld van scheeren bewoog Roover zich gaarne, daar was altijd iets te vangen. Er zwommen zilveren vorentjes, er roeiden watertorren; kikvorschen jaagden op de insecten, die zich aan den honing der water-bloemen wilden vergasten. Blauwsterntjes hadden hun nestje in de rozetten der scheeren gebouwd en stoorden zich niet aan den grooten roover daar beneden. Een dier vogeltjes, Blauw-wiek, was de vlugste van allen, en dat wil wat zeggen: een behendiger vogeltje is er in de plassen niet te vinden. Ook nu schoot Blauw-wiek, het sterntje, omhoog, bleef staan, tuurde naar omlaag, en bespeurde een klein vorentje. Maar ook de snoek had dezelfde prooi ontdekt. Dat zag 't blauwsterntje, en net precies voor den lepelvormigen bek van Roover, snapte hij het blinkende vorentje weg en lachte zijn: „Kie-rie, kie-rie," schel-uit in de lucht. Hij wilde al zijn kameraadjes zoo graag vertellen, hóe hij den snoek voor den gek had gehouden.

Roover verliet teleurgesteld het scheerenveld en zocht nu het open water.

Daar was juist een geweldige herrie aan den gang. Tusschen het riet hield zich een troepje zwarte meerkoeten op; elk had op zijn kop een groote, witte bles. Ze hadden ruzie met alle vogels in de buurt. Vooral de waterhoentjes mochten ze niet lijden. Schaduw, de meerkoet, zat dichtbij haar nest, dat, opgebouwd uit riet en biezen, vrij op 't water dreef. Zij kon Langteen, het vlugge waterhoentje, niet uitstaan! De waterhoentjes kwamen dichterbij. Dat kon de meerkoet niet dulden. Met een luid en scherp: „Kauw, kauw," vloog ze op de hoentjes af, maar Langteen knikte grappig met zijn kopje, dook onder .... en een poosje later kwam alleen zijn snavel weer boven het water uitpiepen. Het waterhoentje hield zich met zijn lange teentjes aan een rietstengel vast.

„Hier ben ik — hier ben ik," riep het plagend. De domme

34

Sluiten