Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de kemphaantjes terecht kwam en brutaal om zich heen keek.

„Piet-piet, ik hiet Piet," riep hij scherp en klaar.

,,'t Is Piet, de scholekster," fluisterde de kievit den tureluur in 't oor. Piet stond stevig óp zijn pooten en stak zijn rooden snavel vooruit. Hij moest de vechtpartij ook eens zien. Schermer en Priemsnavel waren twee beroemde vechtersbazen. De veeren van hun kragen trilden van drift en stonden hoog op. Schermer dacht zeker:

„Wat moet die Priemsnavel op mijn veld? Wacht, ik zal 't hem betaald zetten."

En Priemsnavel peinsde misschien: „Hoho! Nu zal ik eens met Schermer afrekenen."

„Wacht niet, niet, niet!" riep Piet hun toe. „Ziet, ziet, ze durven niet!" plaagde hij.

Alle kemphaantjes zwegen. Dat doen ze haast altijd. Vechten, dat willen ze, maar praten niet

Moedig en onvervaard vlogen Schermer en Priemsnavel op elkaar af. Maar wat was dat? Nauwelijks raakten de lange snavels de veertjes van de kragen, of de woede was bedaard, en de kragen gingen naar beneden. Weer leken ze woedend

op elkaar aan te vliegen geen druppeltje bloed vloeide er.

Toen begonnen Hoogkraag en Puntstaart hetzelfde spelletje. Piet stapte er natuurlijk dadelijk op af. „Nu pas op, dat je 't ziet, Piet!" riep hij vol verwachting. Maar 't ging als den eersten keer. Ze vlogen woedend op elkaar aan, maar de snavels raakten zelfs de veeren niet. Toen begonnen Staalblauw en Grijs-wit.... hetzelfde „gevecht."

De scholekster vloog haastig weg.

„Piet blijft niet — Piet-niet," zong hij met klaar geluid. De kemphaantjes waren verontwaardigd, staakten even hun onbloedigen strijd. Kortsnavel, de kievit en Roodpootje, de tureluur, vlogen ook weg naar hun eigen plekje in de wei.

Toen begonnen de kemphaantjes opnieuw.

Cohen en Keuning, Wonderland, II.

4

49

Sluiten