Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

in 't voorjaar wapperden de elzekatjes in den wind. Een hommel of bij zou zich aan zoo'n katje niet zoo gemakkelijk vast kunnen houden. Dat was ook niet noodig. Bengelen, bengelen, konden ze, en 't stuifmeel vloog alle kanten uit. Bladeren waren er niet, die het stuifmeel tegenhielden. Het stoof in het • rond en bereikte zoo de stamper-katjes. Dat werden elzeproppen . . . den volgenden winter dreven vele vruchtjes als heel kleine schuitjes op het water. Ze raakten aan den wal, en op verschillende plekken schoten het volgend jaar elze-plantjes op.

„Riet, riet, riet, die rare, rare elzen niet!" riep de karekiet. Maar de elzen stonden, waar ze stonden, en lang waren ze de eenige struiken in het moeras.

Op een lentedag stonden er een paar heel kleine stammetjes naast hen. De jonge, teere blaadjes waren nog netjes ingepakt.

„Hier hoor ik ook thuis," suisden de jonge boompjes in den wind. „Waar elzen zijn, komen de wilgen ook gauw. Onze wortels kunnen evengoed als die van jullie den nattigen grond aan den waterkant bijeen houden."

„Och, jongens," riep de Meerkoet, „daar heb je de wilgen ook al. Die helpen ook al mee, de plassen kleiner te maken."

Het duurde niet lang, of ook de wilgen spreidden hun katjes uit, strakke, stijve bloemhoopjes, die stevig genoeg waren, de zwaarste insecten te dragen. Bovendien zaten er honing-schubjes in, om de kleine vliegers te lokken. En na eenige jaren breidden elzen en wilgen zich steeds meer uit en maakten het weeke, moerassige land steviger.

En tusschen die struiken schoten weer andere planten omhoog, die daar vroeger niet konden groeien.

DE TROTSCHE LISCH.

't Was een druk leven in den waterplas. De schaatsenrijders met hun geweldig lange pooten stapten over de oppeHÉWSÊ De grappige zwart-bhnkende draaikevertjes schoten in wijde

51

Sluiten