Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

groote pollen van taaie wortels en taaie takken. En die takken waren met heel fijne blaadjes bezet ... in Augustus en September met heel lange rissen van de heerlijkste, lichtviolette bloempjes. Op eenigen afstand van elkander vond men nog andere pollen, van bentgras, met lange stengels en blauwgroene grasbloempjes, die ten slotte veranderden in lange stroogele sprieten.

„Jongens," zei Japik, een Drentsche boerenjongen, die aan den rand van het veen woonde, „vaders pijp is zoo verstopt als een verkouwen kraai, we gaan pijperooien halen."

„Pijperooien?" vroeg Mar ten, „wat zijn dat?"

„Dat zijn de sprieten van 't bentgras, jong. Die haalt vader door zijn lange pijp."

Het waren flinke, lenige jongens. Ze sprongen van pol op pol, maar ze moesten oppassen, dat ze precies in 't midden van zoo'n bentepol sprongen. Anders kwamen ze met een modderig pak thuis, en dan kregen ze ook nog een pak klappen toe.

Soms bleven ze even staan en keken dan' om zich heen. Tusschen de pollen zagen ze de blozende bloempjes van de dopheide, en hier en daar vonden ze bekermos, grijsgroene bekertjes met leuke stukjes lak op den rand. Een mooi gezicht, dat grijs en rood!

DE DIEREN AAN DEN RAND.

Kwakeraak, de dikke kikker, loerde in de plassen op buit. En ook vertoonde zich zoo nu en dan Elastiekbek, de ringslang, die begreep, dat hier kikkers genoeg waren. En omdat ze veel, héél veel van kikkers hield, had ze een leventje als een prinses, met dit verschil, dat prinsessen niet veel van kikkers houden. Ze koos een gunstig plekje uit, om haar eieren te leggen. Dat gunstige plekje was niet te vochtig en niet te droog. De eieren hadden een schaal net als perkament. Toen Elastiekbek

Cohen en Keuniag, Wonderland, II. 5

65

Sluiten