Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(soms haalde Aswelda's volk wel zes pond honing per dag uit de koolzaad-velden), doch ook om het stuifmeel, bezochten de bijen de bloemen.

Hoe verder in den zomer, hoe meer honing haalden ze van al de planten op de klei. De menschen vonden 't dikwijls mooier op zandgrond, bij de zee, in de duinen, maar de bijenvolken leven ook graag op de klei, want daar is gedurende voorjaar, zomer en herfst altijd honing te halen. Aswelda's volk nam steeds toe. Nauwelijks was het koolzaad uitgebloeid, of de kleine, geurige bloemen in bolronde hoofdjes van de witte klaver kwamen aan de beurt.

„Rong-rong," gonsde de hommel Doldans, „blijven jullie maar bij de witte klaver. Ik zoek de roode klaver op, vol lekkeren honing."

Fijnspriet, 't bijtje, probeerde ook eens, of 't geen honing uit de roode klaver kon krijgen. „Alleen de hommels met haar lange slurf kunnen bij den honing van de roode klaver komen. De onderste deelen van de kroonblaadjes zijn samen met de buis van de meeldraden vergroeid. De bijentong is niet lang genoeg. Büjf jij maar bij de witte klaver," zei de hommel.

„Klaverhoning is lekker," gonsde Smulhans, een kleine werkbij.

Ook de appelboom bloeide in Mei. Overal zag je bijen uit Aswelda's volk tusschen de rose bloesems. En dan haalden ze uit den tuin zoeten honing van de tuinboon.

Toen kwam de zomer. In den bijenhof stond een oude linde met haar dichte kroon en haar mooie loof. De onregelmatiggevormde bladeren bedekten de geurende bloemen geheel, zoodat die goed tegen den regen beschut waren. Er ging geen honing en stuifmeel verloren.

„Rep je," gonsde Lummel, de dar, „het is al middenin den zomer, en we hebben lang geen honing genoeg in de korf."

„Onbeschaamde rekel," beet Vliegvlug, een schrander bijtje hem toe, „zelf doe je nooit wat voor den kost en ons meen je nog te moeten aanzetten."

73

Sluiten