Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

DE STRIJD TUSSCHEN BREEDWIEK EN ZWARTKOP.

Lieten zij zich fijn op de zonlichte golven dobberen.

Ten Westen] van het kleiland op een der eilanden, in het zuiden van ons land, leven zilvermeeuwen met haar prachtige, blanke lichamen en blauwgrijze vleugels. Ze hebben lange snavels, zoo geel als een eierdooier, en rose voeten.

In grooten getale vlogen ze boven het strand, en ze keken uit naar lekkere, kleine schelpdiertjes; telkens liet Breed wiek of Kromsnavel of Zilverborst of een andere zilvermeeuw zich snel vallen, en dan pakten ze vaak een rose schelpje: hap! het was naar binnen. Soms als ze moe waren, lieten zij zich fijn op de zonlichte golven dobberen. Een anderen keer maakten ze een klein wandelingetje op 't strand, daar vonden ze altijd wat van haar gading: een malsch krabbetje, dat op strand geworpen was, een kronkelend wormpje, of ze namen een eitje, dat ze tusschen de schelpen aantroffen. Ze waren lang zoo kieskeurig niet als de menschen: ze aten alles, want ze lustten alles.

Eens» toen Kromsnavel, de zilvermeeuw, boven de zee zwierf en met scherpe oogen naar vischjes speurde, werd ze plotseling onrustig. Het leek net, of ze het niet langer uit kon houden boven de schuimende golven.

„Au-au-au," riep ze benauwd.

„Hahaha «— er komt storm," antwoordde Breedwiek.

76

Sluiten