Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

70

„Ha, een harmonica-trein!" riep Jan uit. Hij kwam uit Duitschland en wachtte op 't grens-station Zevenaar, tot de kommiezen den geheelen trein hadden doorzocht.

Arnhem lieten de vogels links liggen, en ze zwenkten bij Westervoort rechts af. De nieuwe arm, in 1775 gegraven, had gemaakt, dat de IJsel, vroeger een vrij drukke verbinding van de Zuiderzee met den Rijn, weer wat meer water kreeg. Ze ontvangt het Vs deel, en de Rijn houdt het overige.

De streek was Jan bekend. Hij was er over gekomen met Hoogbeen, toen hij van de Veluwe terugkeerde. Een mooie tocht over den bochtigen IJsel, waar links de hooge Veluwerand was met zijn buitens en bosschen van Velp en De Steeg, en rechts de weiden en bouwgronden van de Lijmers. Dicht bij Doesburg lachte Vader Ooievaar: — „Daar is een brug, daar kun je onderdoor." — „Waar? Ha!" en Jan schoot naar beneden. Vader-Ooievaar hield hem voor den gek. Ineens stond Jan op een der wagens der stoomtram, die van Dieren over de schipbrug bij Doesburg en verder naar vele plaatsen in 't OudeIJsel-gebied en zelfs naar het Duitsche Emmerik gaat. Vader Ooievaar schrok zoo, dat hij bijétfoeertuimelde. — „Kom hier!" — „Ik kon er niet onderdoor. Dan er maar bovenop."

18. WIND EN STOKVISSCHEN.

Van Doesburg naar Zutfen is niet ver vliegen, maar boven Zutfen hield Vader-Ooievaar zijn vleugels in. — „Wat doe je nou, Vader-Ooievaar?" — „Ik voel, of de Zutfensche wind niet waait." — „De Zutfensche wind?" — „Ja, daar praten ze hier altijd van." Jan en Vader-Ooievaar streken neer op 't Zutfensch museum, en daar hoorde Jan een heel komieke geschiedenis: „Vroeger was er vaak tusschen steden ruzie, net als nu tusschen landen is; en ook tusschen Deventer en Zutfen

Sluiten