Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

75

.Ontsteld vloog Jan verder. Een groote zaal.... worst en vleesch....

„Heb je 't Kegelkop beloofd, dat je 't hem zou vertellen?" Jan en zijn vriend spraken erg lang met elkaar, maar ze vonden 't voor Kegelkop beter, dat die 't vreeselijk geheim niet kende, 't Speet Jan erg, maar hij ging naar hem toe en zei: „Ik kan 't niet zeggen, Kegelkop." Toen vloog hij treurig weg, omdat hij niet had kunnen doen, wat hij beloofd had. Sinds dien tijd worden de varkens in Olst en Wijhe woedend, als ze een ooievaar zien, en als ze kunnen, loopen ze op zijn staart af.

Jan begreep, hoe verder hij vloog, wat een boos land dit voor de arme krulstaarten was. Hij zag worstfabrieken of exportslagerijen en 't gekerm der Knorren en Porren en Kegelkoppen vergalde hem zijn tocht over 't mooie, diep-groene IJseldal. — „Laten we eens zijwaarts gaan." — „De IJsel is een deftige rivier." — „Hoe zoo?" — „Wel, hij doet net als een koning of een generaal. Waar die ook heenloopen, altijd hebben ze eenige officieren van minderen rang bij zich. Zoo doet de IJsel ook. Aan weerszijden loopen eenige kleine riviertjes." Jan zag 't nu ook. De beddingen van wel vier weteringen liepen naar 't noorden, maar nu, midden in den zomer, bevatten ze weinig water, behalve de Soest-Wetering. Daar zag Jan een oude bekende: Raalte.

„Nu maar terug," zei hij, en ze vlogen over den IJsel naar den anderen kant. Weer weterings! En dan kwamen ze bij de Woldbergen, die hij kende, 't Was een mooie vlucht langs 't Grift-kanaal tot Hattem. Bij deze plaats kwamen de weterings op 't onderste pand van het kanaal, dat vrij naar den IJsel afwaterde.

„Naar Zwolle!" riep Vader-Ooievaar. „Langs den IJsel."

Jan zag van verre den hoogen toren van Zwolle en lachte.

„Waar lach je om?" — „Wel, die toren is weer net een stompe griffel," zei Jan. Vader-Ooievaar schaterde.

„Ha!" klepperde Jan luid, en hij vloog als een razende weg. Vader-Ooievaar volgde hem. Roef, Jan vloog forsch onder een

Sluiten