Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat een mooie bank. Jan de Witt zit er op, Cornelis staat er bij . . . Alles van steen, 't Is een prachtig monument, daar gebouwd ter nagedachtenis van de beide stoere mannen, die zoo droeven dood stierven.

In Dordrecht zijn ze geboren. Eens hebben ze als knaapjes op diezelfde brug gespeeld. O, als ze toen eens in de toekomst hadden kunnen zien!

Nu spelen andere knaapjes op diezelfde brug. Misschien kijken ze wel eens naar die mannen. Misschien ook niet. Maar als een vreemdeling komt en stilstaat voor die beiden, dan komen die jongens óók kijken en in hun oogen is trots : „Dat zijn mannen van onze stad! ..."

De Ruyter! Wat is hij lang al dood! In Amsterdam, in de Groote kerk, ligt hij begraven. Een prachtige graftombe wijst het plekje aan. Elke vreemdeling, die binnenkomt, staat een oogenblik bij dat plekje stil. Van marmer gehouwen ligt de Ruyter daar, in volle wapenrusting. Marmeren engelen bazuinen zijn lof. En boven dat beeld staan zijn groote daden gebeiteld. „De schrik des grooten Oceaans."

Maar de Ruyter zélf is dood! Al zoo lang!

Dood? . . . Weineen! Mannen als de Ruyter sterven nooit. Zij blijven teven in het hart van hun volk. Vlissinger Michiel wié zal hem ooit vergeten? . . .

Willem III! . . . „Oranje boven! De Witten onder!" riepen de menschen in 't bange jaar 1672.

Oranje boven! Dat roepen wij nu nog, al is er niet eens gevaar in 't land. Maar als het gevaar eens komen mocht, dan zullen wij het nóg roepen. En dan zullen we misschien eerst goed begrijpen, wat het eigenlijk beteekent: „Oranje boven!"

Prins Willem I, was de „vader des Vaderlands".

Prins Willem III was de „redder des Vaderlands".

De Oranje's moeten altijd blijven de „beschermers des vaderlands".

56

Sluiten