Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

3. Een oproer.

„Vooruit! ... Daar! ... Dié! ... Slaat kort en klein den boel! j . . Vooruit! Vooruit!"

Een bende woestelingen dringt de Keizersgracht op, een der stille, statige grachten van Amsterdam. Ze joelen, ze schreeuwen, ze krijschen! Ze ballen de vuisten van woede en ze gillen hun haat en hun nijd öp tegen het hooge, prachtige huis, dat daar zoo stil, zoo statig staat in al zijn deftige voornaamheid. „Slaat stuk den boel! ... Kort en klein! ... Die dieven!"

En daar stuiven de voorsten, de belhamels van den troep, al tegen de hooge hardsteenen stoep op. En een zware smidshamer beukt met dreunenden slag de prachtig gebeeldhouwde deur in. De deur kraakt en knarst, en vliegt open.

En dan, met juichend gebrul, stuift de bende binnen . . . Daar, in de marmeren gang staat een groote, een kostbare Chineesche vaas. De smidshamer slaat haar met één slag aan gruizelementen. De smidshamer vernielt ook met één slag de prachtige staande klok, die schatten waard is.

„Kort en klein! . . . Slaat neer! Slaat neer!"

Als wilde beesten, die met wild gehuil springen op hun prooi, zóó storten de woestelingen zich op al de pracht en den rijkdom van 't deftige huis . . .

Wat is dit? Wat moet dit beduiden?

Is de zoete levensdroom van de heeren regenten nu tóch verstoord ? O ja, jammerlijk verstoord.

„Dat hebben die Franschen gedaan!" zeggen zij in hun bitterheid, maar dat het eigen schuld was, gelooven ze niet.

De Franschen zijn gekomen: Die sterke muur van vestingen in België, waarachter de Hollander zich zoo veilig meende, was niets waard. Wij hadden geen goede officieren, wij hadden geen goede soldaten meer. Onze kanonnen waren oud, en ons kruit was slecht. De Franschen lachten om onze „barrière" en vielen

70

Sluiten