Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

komt terug — mèt den Prins. Een wagen met drie paarden, een schelpenkar, rijdt de zee in om hem aftehalen ... 't Is op hetzelfde plekje, waar ééns, achttien jaar geleden, Willem V zijn land moest ontvluchten, omdat zijn volk hem verjoeg. Hij heeft zijn land ' nooit weergezien: hij is in ballingschap gestorven. Maar nu komt zijn zoon Willem, de Erfprins, toch terug. In den wagen staat hij, zwaaiend met zijn hoed . . .

Neen, dan kunnen die menschen 't niet meer uithouden. Dwars door de golven heen waden ze hem tegemoet, en ze grijpen de paarden, ze grijpen de kar, en ze trekken mee, alsof ze hem nóg eerder in 't land willen hebben.

En als de Prins het strand oprijdt tusschen de menschen door, —• dan davert de wilde vreugde hem toe. Oranje boven! Oranje boven! De menschen joelen en woelen om zijn wagen heen. Ze zwaaien hun hoeden. Ze steken hem hun handen toe. Ze schreeuwen en juichen; maar daar staan er ook met tranen in hun oogen, tranen van vreugde. En menig oog zoekt den hemel. En menig hart dankt in diepe blijdschap God, die deze heerlijke uitkomst gaf. nj'ci

Wie had dit durven denken ? Lange jaren was het volk geknecht geweest, had het leed en ellende, schande en dood moeten dragen. En nu . . .? Nu was de uitredding toch gekomen. Gode zij dank! Gode zij eer!

Prins Willem was dadelijk gekomen, toen tweè heeren uit den Haag het hem kwamen vragen. Hij hoorde bij zijn volk, zooals al zijn vaderen bij dat volk hadden gehoord. Hij wist het: 't was God zélf, die hem riep. En hij ging vol vreugde, vol moed, om lief en leed met dat volk te deelen.

Stadhouder worden? . . . Neen! zei dat volk. We willen een koning hebben; een koning uit het huis van Oranje. En zoo is de Prins geworden: Willem 1, Koning der Nederlanden.

Ons volk had véél geleerd. Wèg waren nu alle partijschappen. In den grooten nood hadden de menschen het gevoeld, dat ze tóch allen broeders, dat . ze tóch één volk waren. Weg nu ook

118

Sluiten